ATAG IG9071MT, tekst van de handleiding
Pagina's 10–25 van 94 · inhoud en begin van de handleiding · pdf
Pagina 10
BEDIENING INDUCTIEKOOKZONES extra zekerheid BEDIENING INDUCTIEKOOKZONES extra zekerheid
Veiligheid kookplaat
- Een sensor controleert ononderbroken de temperatuur van de onderdelen van de kookplaat. Bij een te hoge temperatuur wordt het vermogen van de kookplaat automatisch verlaagd.
- Zodra u de kookpan van de kookplaat verwijdert, stopt automatisch de kookactiviteit. Wen uzelf echter aan altijd de kookplaat of zone na gebruik uit te schakelen om onbedoeld inschakelen te voorkomen.
Veiligheid kookpannen
Elke kookzone is voorzien van een sensor die ononderbroken de temperatuur van de bodem van de kookpan controleert om elk risico op oververhitting bij bijvoorbeeld een drooggekookte pan te vermijden.
Veiligheid metalen voorwerpen
Een klein voorwerp zoals een te kleine kookpan (kleiner dan 12 cm), een vork of een lepel wordt door de kookplaat niet als een kookpan gedetecteerd. Het display van de zone knippert en de kookplaat wordt niet ingeschakeld.
Oververhittingsbeveiligingen
Het toestel kan oververhit raken, wanneer:
- de pan de warmte niet goed geleidt;
- vet of olie op een hoge stand verhit wordt;
- er onvoldoende luchtcirculatie is (zie ook ventilatiebeveiliging bij het installatievoorschrift).
Kookduurbegrenzing-vermogens (alleen inductiekookzones)
De kookduurbegrenzer schakelt de kookzones, afhankelijk van de ingestelde stand, na een bepaalde tijd automatisch uit.
De tijd loopt vanaf het moment dat een stand is gekozen, dus bij een nieuwe keuze van een kookstand begint de tijd weer opnieuw te lopen.
In de tabel hieronder ziet u na hoeveel tijd de kookduur-begrenzer bij de verschillende standen de kookzone uitschakelt. Deze gaat na 5 minuten automatisch naar (boost).
Stand
Vermogen
Tijd
10 sec. 9 uur 19 uur 5 uur 5 uur 5 uur 4 uur 4 uur 4 uur 3 uur 2 uur 1 uur 1 uur
Pagina 11
BEDIENING INDUCTIEKOOKZONES extra zekerheid BEDIENING INDUCTIEKOOKZONES pieptoon
In geval van oververhitting leidt dit bij de desbetreffende kookzone, respectievelijk alle kookzones, tot een van de volgende reacties:
- de kookplaat zal het toegevoerde vermogen iets laten afnemen (dit is niet zichtbaar bij de kookstanden in de displays);
- wanneer dit niet helpt zal de kookplaat één of meerdere zones uitschakelen en F8 in de displays laten zien.
Zodra de kookzone(s) voldoende is (zijn) afgekoeld kunt u deze weer normaal gebruiken. F8 blijft in het display staan totdat u de aan/uit toets van de zone met de foutmelding bedient.
Voorkom dat de oververhittingsbeveiliging van het toestel geactiveerd wordt door:
- pannen te gebruiken die de warmte goed geleiden;
- vet of olie op een lagere stand te verhitten;
- voor voldoende luchtcirculatie te zorgen.
Neem contact op met de servicedienst of een erkend vakman indien de oververhittingsbeveiliging desondanks opnieuw geactiveerd wordt.
Uit-/inschakelen pieptoon
De pieptoon, die hoorbaar is bij het bedienen van de toetsen, kan worden uit- of ingeschakeld.
de pieptoon uitschakelen
- 1. Schakel de kookzone linksvoor in en vervolgens uit door twee keer op de aan/uit toets te drukken.
- 2. Druk binnen 3 seconden tegelijk de - toets van de kookzone linksvoor en de - toets van de zone linksachter in.
Een pieptoon bevestigt de zojuist gekozen instelling.
De pieptoon voor de zones linksvoor en linksachter is nu uitgeschakeld. Herhaal deze werkwijze voor de rechter kookzones met de aan/uit toets van de kookzone rechtsachter en de - toetsen van de beide rechter kookzones.
de pieptoon inschakelen
- 1. Schakel de kookzone linksvoor in en vervolgens uit door twee keer op de aan/uit toets te drukken.
- 2. Druk binnen 3 seconden tegelijk de - toets van de kookzone linksvoor en de - toets van de zone linksachter in.
Een pieptoon bevestigt de zojuist gekozen instelling.
De pieptoon voor de zones linksvoor en linksachter is nu ingeschakeld. Herhaal deze werkwijze voor de rechter kookzones met de aan/uit toets van de kookzone rechtsachter en de - toetsen van de beide rechter kookzones.
Pagina 12
DE INDUCTIEKOOKZONES OPTIMAAL GEBRUIKEN pannen
Het warmteverlies is minimaal omdat de warmte in de pan zelf opgewekt wordt. Bij kleinere pannen wordt alleen dat deel van de zone geactiveerd dat contact maakt met de panbodem. Een bijkomend voordeel is dat de handgrepen van de pan niet warm worden door stralingswarmte langs de pan. Zandkorreltjes kunnen krasjes veroorzaken die niet meer te verwijderen zijn.
- 1. Warmteverlies en hete handgrepen bij een conventionele kookplaat.
- 2. Geen warmteverlies en koude handgrepen bij inductiekoken.
- Zet alleen pannen met een schone bodem op het kookvlak.
- Til pannen altijd op als u ze verplaatst.
- Gebruik de kookplaat niet als werkvlak.
Schuif de panbodem over een (vochtige) doek, voordat u de pan op het kookvlak zet. Dit voorkomt dat er zandkorreltjes en dergelijke op het kookvlak terechtkomen.
Til pannen altijd op; schuif er nooit mee.
Kook altijd met het deksel op de pan om energieverlies te voorkomen.
Bij inductiekoken wordt gebruik gemaakt van een magnetisch veld om warmte op te wekken. Daarom moet de panbodem ijzer bevatten en dus magnetisch zijn. De kookzones van de kookplaat hebben een diameter van 180 mm. De kookplaat past zich echter automatisch aan bij gebruik van kleinere of grotere pannen. Bij kleinere pannen is er dus geen energieverlies, maar het vermogen is lager dan bij grotere pannen. De panbodem moet altijd groter zijn dan 12 cm. Dit is de binnenste cirkel die in de kookzone op de glasplaat staat aangegeven.
DE INDUCTIEKOOKZONES OPTIMAAL GEBRUIKEN pannen
U kunt zelf met een magneet controleren of uw pannen geschikt zijn. Een pan is geschikt wanneer:
- de panbodem wordt aangetrokken door een magneet;
- de pan geschikt is voor elektrisch koken.
Gebruik alleen pannen met een dikke (minimaal 2,25 mm), vlakke bodem die geschikt zijn voor inductiekoken. Het beste zijn pannen met het ‘Class Induction’ keurmerk.
Pannen, waarvan de bodem niet magnetisch is of niet geschikt zijn voor elektrisch koken, zijn ongeschikt voor gebruik op de kookplaat.
Geschikt
- speciale roestvrijstalen pannen voor inductiekoken;
- solide geëmailleerde pannen;
- geëmailleerde gietijzeren pannen.
Ongeschikt
Aardewerk, Aluminium, kunststof, koper, porselein, roestvrijstaal.
Wees voorzichtig met plaatstaal geëmailleerde pannen. Deze kunnen beschadigd raken als ze gebruikt worden voor inductiekoken. Met name wanneer deze pannen een te dunne bodem hebben. Bij plaatstaal geëmailleerde pannen kan:
- email afspringen (het email laat los van het staal) wanneer u de kookplaat op een hoge stand inschakelt terwijl de pan (te) droog is;
- de panbodem kromtrekken door bijvoorbeeld oververhitting of door gebruik van een te hoog vermogen.
Gebruik nooit pannen met een vervormde bodem. Een holle of bolle bodem kan de werking van de oververhittingsbeveiliging belemmeren. Het toestel wordt te warm. Hierdoor kan de glasplaat barsten en de panbodem smelten.
Schade, ontstaan door het gebruik van ongeschikte pannen of droogkoken, valt buiten de garantie.
Pagina 13
DE INDUCTIEKOOKZONES OPTIMAAL GEBRUIKEN pannen DE WOKBRANDER OPTIMAAL GEBRUIKEN pannen
Geluid in de bodem van de pan
Tijdens het koken kunt u een ratelend geluid horen in de bodem van de pan. Dit is onschuldig. Het geluid wordt veroorzaakt doordat het hoge vermogen van de kookzone inwerkt op de panbodem.
Verminder het ratelende geluid door een lagere stand te kiezen.
Snelkookpannen
Inductiekoken is zeer geschikt voor het koken in snelkookpannen. De kookzone reageert zeer snel, waardoor de snelkookpan ook snel op druk is. Zodra u een kookzone uitschakelt stopt het kookproces direct.
Gebruikte pannen
- Pannen waarmee al eerder op een gaskookplaat is gekookt, zijn niet meer bruikbaar voor inductie.
De wokbrander gebruiken als kookbrander
- Zorg er altijd voor dat de vlammen onder de pan blijven. Als vlammen om de pan heen spelen gaat veel energie verloren.
Bovendien kunnen de handgrepen dan te heet worden.
Gebruik geen pannen met een kleinere bodemdiameter dan 12 cm.
Kleinere pannen staan niet stabiel.
FOUT GOED
- Kook met het deksel op de pan. U bespaart dan tot 50% energie.
- Gebruik pannen met een vlakke, schone en droge bodem. Pannen met een vlakke bodem staan stabiel en pannen met een schone bodem dragen de warmte beter over naar het gerecht.
Pagina 14
DE WOKBRANDER OPTIMAAL GEBRUIKEN wokken COMFORTABEL KOKEN kooktabel inductie koken
Wokken
Met de wokbrander kunt u gerechten op een zeer hoge temperatuur bereiden. Het is hierbij van belang dat u:
- van te voren de ingrediënten in reepjes, plakjes of stukjes snijdt;
- bij het roerbakken olie van goede kwaliteit gebruikt, zoals olijf-, maïs-, zonnebloem- of arachide olie. Een klein beetje is al genoeg. Boter en margarine verbranden door de grote hitte;
- de gerechten met de langste bereidingstijd het eerst in de pan doet, zodat aan het eind van de bereidingstijd alle ingrediënten tegelijk (beet)gaar zijn.
Gebruik van het wok-hulprooster
Het hulprooster dat ten behoeve van de wokbrander is meegeleverd of als accessoire verkrijgbaar is zorgt voor extra stabiliteit bij een wok met een ronde bodem.
Plaats het hulprooster volgens de illustratie op het wokrooster.
Gebruik van verkleinrooster
Het verkleinrooster dat is meegeleverd of als accessoire verkrijgbaar is zorgt ervoor dat u extra kleine pannen kunt gebruiken.
De onderstaande tabel is uitsluitend bedoeld als leidraad, omdat de instelwaarde afhankelijk is van de hoeveelheid en samenstelling van het gerecht en de pan.
Gebruik de hoogste stand voor:
- snel aan de kook brengen;
- slinken van bladgroenten;
- blancheren van groenten;
- verhitten van olie en vet;
- bakken van biefstuk (saignant, rood);
- onder druk brengen van een snelkookpan;
- koken van glad gebonden pudding en vla.
Gebruik een iets lagere stand voor:
- aanbraden van vlees;
- bakken van platvis, dunne moten of filet;
- bakken van gare aardappelen;
- bereiden van glad gebonden soepen en sauzen;
- bakken van omeletten;
- bakken van biefstuk (medium, rozerood);
- frituren (afhankelijk van de temperatuur en de hoeveelheid).
Gebruik een stand iets boven de middelste stand voor:
- bakken van dikke pannenkoeken;
- bakken van dik, gepaneerd vlees;
- gaar bakken van dun vlees;
- doorbraden van groot vlees;
- uitbakken van spek of bacon;
- bakken van rauwe aardappelen;
- bakken van wentelteefjes;
- bakken van gepaneerde vis;
- bakken van dun, gepaneerd vlees;
- bakken van omeletten.
Pagina 15
COMFORTABEL KOKEN kooktabel inductie koken ONDERHOUD algemeen
Gebruik de middelste standen voor:
- doorkoken van grote hoeveelheden;
- ontdooien van harde groenten, bijvoorbeeld sperziebonen.
Gebruik de laagste standen voor:
- trekken van bouillon;
- rood koken van stoofperen;
- bereiden van stoofvlees;
- doorkoken van gerechten;
- smoren van groenten.
Algemeen
- Regelmatig onderhoud direct na gebruik voorkomt dat overgekookt voedsel lange tijd kan inwerken en hardnekkige, moeilijk te verwijderen vlekken veroorzaakt. Gebruik hiervoor een mild reinigingsmiddel.
- Reinig eerst de bedieningsknop, wokbrander en pandrager en dan pas de glasplaat. Hiermee voorkomt u dat de glasplaat tijdens het reinigen opnieuw vuil wordt.
Hardnekkige vlekken op emaille (pandrager, branderdelen)
Hardnekkige vlekken kunt u het beste verwijderen met een vloeibaar reinigingsmiddel of een kunststof schuursponsje. Gebruik nooit schuurpoeders, schuurpads, scherpe voorwerpen of agressieve reinigingsmiddelen.
Hardnekkige vlekken de glasplaat
Maak de glasplaat schoon met een speciaal reinigingsmiddel voor ceramische kookplaten. Waterkringen of kalkresten reinigt u het makkelijkst met behulp van schoonmaakazijn.
Reinigen branderdelen
De verwijderbare wokbranderdelen kunt u het beste reinigen met een mild schoonmaakmiddel en een zachte doek. Bij hardnekkige vlekken kunt u de delen laten weken in een sopje. Gebruik nooit schuurpoeders, pads, scherpe voorwerpen of agressieve reinigingsmiddelen.
- Branderdelen mogen niet in de vaatwasser gereinigd worden. De onderdelen kunnen door het vaatwasmiddel aangetast worden!
Gebruik niet te veel vocht, aangezien dit de brander of ventilatieopeningen kan binnendringen.
Pagina 16
ONDERHOUD algemeen STORINGEN INDUCTIEKOOKGEDEELTE tabel
- Reinig de ontstekingsbougies bij voorkeur met een doekje. Betracht hierbij wel enige voorzichtigheid. Bij een te zware belasting kan de afstand van de bougiepunt tot aan de brander wijzigen, waardoor de brander slechter of niet ontsteekt. De bougie werkt alleen goed in een droge omgeving. Bij zware vervuiling kunt u de punt met een fijn borsteltje reinigen.
- Plaats de pandragers rechtstandig naar beneden, zonder over de glasplaat te schuiven.
Zet de branderdelen in elkaar met behulp van de geleidingsnokken.
Branderdeksel
Branderdeksel
Positioneringsnok
Luchtring
Branderkop
Thermokoppel
Bougie
Messing wokbranderdelen
Enkele delen van de wokbrander zijn vervaardigd uit messing. Het is normaal dat de kleur van het messing verandert als gevolg van de hoge temperaturen die tijdens het wokken ontstaan.
ATAG Shine
Atag heeft een serie schoonmaakmiddelen samengesteld onder de naam ATAG Shine. Deze zijn te verkrijgen via de website www.hps.nl. Hier vind u ook diverse schoonmaak en gebruikerstips.
Wanneer u twijfelt over de goede werking van uw kookplaat betekent dit niet automatisch dat er een defect is. Controleer in elk geval de volgende punten:
storing oorzaak oplossing
| Het toestel werkt niet en de lampjes branden niet. | Geen elektriciteit. | Elektrische installatie controleren (hoofd-zekering(en), aansluiting). |
| De kookplaat werkt niet. F9 of FA verschijnt in het display of het toestel begint meteen te piepen wanneer het wordt aangesloten. | Het toestel is verkeerd aangesloten of de netspanning is onjuist. | Laat de installateur de installatie controleren. |
| De kookplaat werkt niet. F99 verschijnt in het display. | Twee toetsen tegelijk bediend, de glasplaat is vervuild of er ligt een voorwerp op de bediening. | Bedieningsfout of glasplaat reinigen. |
| De ventilator schakelt spontaan in. | Het toestel controleert zichzelf nadat de spanning is weggevallen. | De ventilator schakelt vanzelf uit. |
| De melding F8 verschijnt. | Oververhitting van de elektronica in de kookplaat. | Laat het toestel afkoelen. Druk op de aan/uittoets en de melding verdwijnt. Opnieuw beginnen op een lagere stand. |
| Na het inschakelen van de zone blijven de zone displays knipperen. | Ongeschikte pannen of geen pan op de kookzone. | Geschikte pan gebruiken. |
| Het toestel is niet in te schakelen. | Toestel staat op slot. | Druk de toets met het sleutelsymbool enkele seconden onafgebroken in. |
| Het aan de kook brengen duurt langer dan verwacht. | Te kleine pan gebruikt. | Gebruik een pan die ongeveer gelijk is aan de diameter van de kookzone. |
| Foutcode F00 in het display. | Een toets is defect, vuil of er ligt een voorwerp op. | Maak het toestel schoon of laat het repareren. Leg geen voorwerpen op het bedieningspaneel. |
| Foutcodes F01 - F11 in het display. | Toets te lang bediend of te veel vocht in het toestel. | Maak het toestel schoon of laat het repareren. Leg geen voorwerpen op het bedieningspaneel. |
| Foutcodes F1 - F6 in het display. | Generator defect. | Neem contact op met de servicedienst. |
Pagina 17
STORINGEN WOKBRANDER tabel STORINGEN algemeen
storing oorzaak oplossing
| Het ruikt naar gas in de omgeving van het toestel. | – De brander is ingeschakeld, maar niet ontstoken (alleen voor IG9071MX). – De koppeling van een flessengastoestel is losgeschoten. | – Sluit de kraan en wacht enkele minuten met opnieuw ontsteken. – Zet de koppeling vast. |
| De brander ontsteekt niet. | – Stekker niet in stopcontact. – Zekering defect/zekering in meterkast uitgeschakeld. – Bougie vervuild/vochtig. – Branderdelen niet juist geplaatst. – Branderdelen vervuild/vochtig. – Hoofdgaskraan gesloten. – Storing aan het gasnet. – Gasfles of -tank is leeg. – Verkeerde soort gas gebruikt (bij flessengastoepassing). – Bedieningsknop niet lang of diep genoeg ingedrukt. | – Steek de stekker in het stopcontact. – Monteer een nieuwe zekering of schakel de zekering weer in. – Reinig/droog de bougie. – Zet de branderdelen via de centreernokken in elkaar. – Reinig/droog de branderdelen. Let er hierbij op dat de uitstroomgaten open zijn. – Open de hoofdgaskraan. – Informeer bij uw gasleverancier. – Sluit een nieuwe gasfles aan of laat de tank vullen. – Controleer of het gebruikte gas geschikt is voor het toestel. – Houd de bedieningsknop lang genoeg en voldoende diep ingedrukt tussen vol- en kleinstand. |
| De brander brandt niet egaal. | – Branderdelen niet juist geplaatst. – Branderdelen vervuild/vochtig. – Verkeerde soort gas gebruikt (bij flessengastoepassing). | – Zet de branderdelen via de centreernokken in elkaar. – Reinig/droog de branderdelen. Let er hierbij op dat de uitstroomgaten open zijn. – Controleer of het gebruikte gas geschikt is voor het toestel. |
| De brander dooft na ontsteken. | – Bedieningsknop niet lang genoeg ingedrukt (alleen voor IG9071MT). | – Houd de bedieningsknop minimaal 5 seconden ingedrukt. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 17)
Raadpleeg bij storingen het telefoonnummer van de servicedienst. Zie hiervoor de bijgeleverde garantiekaart of raadpleeg de internet site www.hps.nl.
Indien u een barstje of scheurtje (hoe klein ook) op de glasplaat vaststelt, schakel dan de kookplaat onmiddellijk uit, haal meteen de stekker van de kookplaat uit het stopcontact, verbreek de (automatische) zekering(en) in de meterkast of zet de schakelaar in de toevoerleiding op de nul bij een vaste aansluiting. Neem vervolgens contact op met de servicedienst.
Alleen een erkend installateur mag dit toestel aansluiten!
De installatie moet geschieden volgens de nationale en lokale geldende voorschriften.
Schade ontstaan door verkeerd aansluiten of verkeerd inbouwen valt niet onder de garantie.
Pagina 18
MILIEUASPECTEN verpakking en toestel afvoeren INSTALLATIEVOORSCHRIFT algemeen
Veiligheid
Bij de vervaardiging van dit toestel is gebruik gemaakt van duurzame materialen.
De verpakking van het toestel is recyclebaar. Gebruikt kunnen zijn:
- karton;
- papier;
- polyethyleenfolie (PE);
- CFK-vrij polystyreen (PS-hardschuim);
- polypropyleenband (PP).
Deze materialen op verantwoorde wijze en conform de overheidsbepalingen afvoeren.
Op het typeplaatje is het symbool van een doorgekruiste vuilnisbak aangebracht:
Dit betekent dat het apparaat aan het einde van zijn levensduur niet bij het gewone huisvuil mag worden gevoegd, maar naar een speciaal centrum voor gescheiden afvalinzameling van de gemeente moet worden gebracht of naar een verkooppunt dat deze service verschaft.
Het apart verwerken van een huishoudelijk apparaat zoals deze kookplaat voorkomt mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid die door een ongeschikte verwerking ontstaat en zorgt ervoor dat de materialen waaruit het apparaat bestaat teruggewonnen kunnen worden om een aanmerkelijke besparing van energie en grondstoffen te verkrijgen.
Om op de verplichting tot gescheiden verwerking van elektrische huishoudelijke apparatuur te wijzen, is op het product het symbool van een doorgekruiste vuilnisbak aangebracht.
Dit toestel voldoet aan alle relevante CE richtlijnen.
Op het gegevensplaatje op de onderzijde van het toestel wordt de totale aansluitwaarde, de vereiste spanningen en de frequentie aangegeven. Tevens staan voor wat betreft het gasgedeelte de gassoort, aansluitdruk en het land waarvoor het toestel is ingericht vermeld op het gegevensplaatje.
Alleen een erkend installateur mag dit toestel aansluiten. De aansluiting moet voldoen aan de nationale en lokale voorschriften.
Het toestel moet altijd geaard zijn.
Schade ontstaan door verkeerd aansluiten, verkeerd inbouwen of verkeerd gebruik valt niet onder de garantie.
De wanden en het werkblad rondom het toestel moeten van hittebestendig (> 85 °C) materiaal zijn. Ook al wordt het toestel zelf niet warm, door de warmte van bijvoorbeeld een hete braadpan zou de wand kunnen verkleuren of beschadigen.
Voor een goede werking van het toestel is het volgende van belang:
- Dat er voldoende ventilatie aanwezig is voor het koelen van de kookplaat; een en ander volgens de in dit hoofdstuk gespecificeerde mogelijkheden.
- De ventilatielucht die de kookplaat aanzuigt mag niet warmer zijn dan 35 °C. Houd hier rekening mee als u een oven onder de kookplaat inbouwt.
Let er op dat de aansluitkabels vrij hangen. Is er een lade onder de kookplaat, zorg er dan voor dat de lade niet boven de rand gevuld is om de beluchting niet te belemmeren.
Pagina 19
INSTALLATIEVOORSCHRIFT gasaansluiting INSTALLATIEVOORSCHRIFT elektrische aansluiting
let op
De gassoort en het land waarvoor het toestel is ingericht staan vermeld op het gegevensplaatje.
Dit is een klasse 3 toestel.
Gasaansluiting
De gasaansluiting moet voldoen aan de nationale en lokale voorschriften.
Wij adviseren de kookplaat aan te sluiten met een vaste leiding. Aansluiting door middel van een speciaal daarvoor bestemde veiligheidsslang is ook toegestaan.
Achter een oven moet een volledig metalen slang worden gebruikt.
let op
Een veiligheidsslang mag niet worden geknikt en niet in aanraking komen met bewegende delen van het keukenmeubel.
In alle gevallen moet er voor het toestel een aansluitkraan geplaatst worden op een makkelijk bereikbare plaats.
Voordat u het toestel in gebruik neemt moet u de aansluitingen met zeepsop controleren op gasdichtheid.
Algemeen
Gebruik voor het aansluiten een goedgekeurde kabel, afhankelijk van de voorschriften. Op de kabel moet één van de volgende aanduidingen staan: H05V2V2-F, H05RR-F of H05RN-F.
Aan de onderzijde van het toestel bevindt zich een etiket met daarop de aansluitschema's. De aansluitklemmen zijn bereikbaar nadat u het aansluitkastje aan de onderzijde hebt geopend. Open de deksel van het aansluitkastje met behulp van een schroevendraaier.
Wandcontactdoos en stekker moeten te allen tijde bereikbaar blijven.
Wilt u een vaste aansluiting maken, zorg er dan voor dat er een omnipolaire schakelaar met een contactafstand van minimaal 3 mm in de toevoerleiding wordt aangebracht. De schakelaar moet te allen tijde bereikbaar zijn.
| Componentenspanning | 230V 50Hz |
|---|---|
| Vermogen inductie modules | |
| Links | 2800 W |
| Rechts Vermogen ontstekingstrafo | 2800 W 0,6 W |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 19)
toestel inwendig
rechterzones
ontstekingstrafo + linkerzones
Pagina 20
INSTALLATIEVOORSCHRIFT elektrische aansluiting INSTALLATIEVOORSCHRIFT elektrische aansluiting
Het toestel kan op de volgende manieren worden aangesloten:
2 fase aansluiting
2 fasen met 2 nullen aansluiting (2 2N a.c. 230 V / 50 Hz / kookgroep): De spanning tussen de fase en de nul is 230 V a.c. Tussen de fasen kan een spanning van 0 V staan wanneer deze in de meterkast aan zijn gesloten op dezelfde fase maar ook 400 V wanneer deze zijn aangesloten op 2 verschillende fasen. Uw groepen moeten afgezekerd zijn met minimaal 16 A (2x). De aansluitkabel moet een aderdoorsnede hebben van minimaal 2,5 mm².
rechterzones
ontstekingstrafo + linkerzones
2 fasen met 1 nul aansluiting (2 1N a.c. 400 V / 50 Hz): De spanning tussen de fasen en de nul is 230 V a.c. Tussen de fasen staat een spanning van 400 V. Wanneer er geen spanning van 400 V tussen de fasen aanwezig is, is er sprake van twee draden die van dezelfde fase zijn afgetakt in de meterkast en moet de kookplaat worden aangesloten met 2 nuldraden, zoals hiervoor genoemd bij 2 fasen met 2 nullen. Breng een verbindingsbrug aan tussen de aansluitpunten 4-5.
Uw groepen moeten afgezekerd zijn met minimaal 16 A (2x). De aansluitkabel moet een aderdoorsnede hebben van minimaal 2,5 mm².
rechterzones
ontstekingstrafo + linkerzones
3 fase aansluiting
3 fasen met 1 nul aansluiting (3 1N a.c. 400 V / 50 Hz / krachtgroep): De spanning tussen de fasen en de nul is 230 V a.c. Tussen de fasen staat een spanning van 400 V. Breng een verbindingsbrug aan tussen de aansluitpunten 4-5. Fase L3 wordt niet belast. Uw groepen moeten afgezekerd zijn met minimaal 16 A (3x). De aansluitkabel moet een aderdoorsnede hebben van minimaal 2,5 mm².
rechterzones
ontstekingstrafo + linkerzones
3 fasen aansluiting (3 a.c. 230 V / 50 Hz):
De spanning tussen de fasen is 230 V a.c.
Breng verbindingsbruggen aan tussen de aansluitpunten 4-5. Uw groepen moeten afgezekerd zijn met minimaal 16 A (3x). De aansluitkabel moet een aderdoorsnede hebben van minimaal 2,5 mm².
rechterzones
ontstekingstrafo + linkerzones
Pagina 21
INSTALLATIEVOORSCHRIFT elektrische aansluiting INSTALLATIEVOORSCHRIFT inbouwen
1 fase aansluiting
1 fase aansluiting (1 1N a.c. 230 V / 50 Hz):
De spanning tussen de fase en de nul is 230 V a.c.
Breng verbindingsbruggen aan tussen de aansluitpunten 1-2 en 4-5. Uw groep moet afgezekerd zijn met minimaal 32 A. De aansluitkabel moet een aderdoorsnede hebben van minimaal 6 mm².
rechterzones
ontstekingstrafo + linkerzones
Aansluitblok
Met de op het aansluitblok aanwezige bruggen kunt u de vereiste doorverbindingen maken zoals in voorgaande illustraties staat aangegeven. In het deksel van het aansluitkastje en in onderstaande illustratie staat aangegeven hoe u de bruggen aan moet brengen. Deze moeten niet meteen bovenop de aansluitdraden worden geplaatst, maar tussen de schroefkop en de klem om de aansluitdraad.
Kookplaat voorbereiden
1/2" ISO 228 (recht)
1/2" ISO 7/1 (conisch)
Afdichtring
1/2" ISO 228 (recht)
1/2" ISO 228 (recht)
alleen voor Frankrijk
Afdichtring
Monteer de bijgeleverde knie op de gasaansluiting van het toestel.
Zet de kabel vast met de trekontlasting en sluit het deksel.
Verwijder de beschermfolie van het afdichtband (A) en plak het band in de groef van de aluminium profielen of op de rand van de glasplaat. Plak het afdichtband niet door de hoek, maar knip 4 stukken die goed aansluiten in de hoek.
Pagina 22
INSTALLATIEVOORSCHRIFT inbouwen INSTALLATIEVOORSCHRIFT inbouwen
Uitsparing in werkblad zagen
Zaag de uitsparing in het werkblad. Doe dit zeer nauwkeurig (zie tabel). Zaag ook eventueel aanwezige tussenschotten uit.
De afstanden van de zaagmaat tot de achterwand en/of zijwand staan vermeld in de tabel.
Als het werkblad van hout is, behandel dan de kopse kanten van het werkblad met afdichtvernis, om uitzetten van het werkblad door vocht te voorkomen.
Bevestigingspunten montagebeugels
Draadgat schroef werkblad
dunne werbladen
dikke werkbladen
Inbouwmaten
1*) bevestigingspunt montagebeugel
min.50
Pagina 23
INSTALLATIEVOORSCHRIFT inbouwen INSTALLATIEVOORSCHRIFT inbouwen
Tabel
| Kookplaattype | IG9071M |
|---|---|
| Toestel breedte x diepte | 904 x 522 mm |
| Inbouwhoogte vanaf bovenkant werkblad | 48 mm |
| Zaagmaat breedte x diepte | 860 x 490 mm |
| Afstand zaagmaat tot achterwand | Minimaal 50 mm |
| Afstand toestel tot zijwand | Minimaal 100 mm |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 23)
Benodigde vrije ruimte rondom
Een gaskookplaat ontwikkelt warmte. Laat voldoende ruimte vrij tot niet
| hittebestendige verkleuren | materialen. (zoals | Let ook op bij materialen roestvaststaal). | die kunnen | ||
| min. 900 | |||||
| min. | 650 mm | ||||
| min. | 450 mm min. 100 mm | min. 100 mm | |||
| De kookplaat | mag naast slechts één verticale wand ingebouwd | ||||
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 23)
zijwand
worden.
let op
De onderzijde van de kookplaat wordt heet. Leg geen brandbare spullen in een lade wanneer deze direct onder de kookplaat is gemonteerd.
Beluchting
De elektronica in het toestel heeft koeling nodig. Aan de onderzijde van het toestel bevinden zich de ventilatieopeningen. Door deze openingen moet koele lucht aangezogen kunnen worden. Aan de voorzijde en onderzijde is het toestel voorzien van uitblaasopeningen.
Voor een optimale koeling van het kooktoestel moet u enkele wijzigingen aanbrengen in het keukenmeubel.
Boven lade, deur of vaste blende
Zaag de beluchtingsopeningen (min. 100 cm²) uit. Beluchting vindt plaats via plint en achterzijde kast.
B
A
Een lade mag de ventilatieopeningen aan de onderzijde van het toestel niet afsluiten. Bij een lade moet er aan de voorzijde een spleet gemaakt worden van minimaal 560 x 6 mm. De afstand tussen lade A en de kookplaat moet minimaal 10 mm bedragen.
min.
min.
560 x 6 mm
150
Pagina 24
INSTALLATIEVOORSCHRIFT inbouwen INSTALLATIEVOORSCHRIFT inbouwen
Bij een vaste blende zijn geen extra aanpassingen voor beluchting nodig.
Ventilatiebeveiliging
De elektronica moet gekoeld worden. De koele lucht wordt achter het keukenkastje aangezogen en aan de onderzijde en voorzijde van de kookplaat weer uitgeblazen. Het toestel kan daarom alleen functioneren als er voldoende lucht kan circuleren. Het toestel schakelt zich na korte tijd uit wanneer er onvoldoende lucht circuleert.
Zorg ervoor dat de traverselat de luchtdoorvoer niet hindert.
Schaaf of zaag de lat desnoods schuins af.
Installatie boven een oven van het merk ATAG
C
min.
560 x 6 mm
B
A
Nismaat minimaal 600 mm hoog. Beluchting vindt plaats via plint en achterzijde oven. Bij een oven moet er aan de voorzijde een opening gemaakt worden van minimaal 560 x 6 mm. Zaag de beluchtingsopeningen ‘A’ + ‘B’ uit (100 cm²). Wanneer u een kastje van 600 mm breed gebruikt met een werkblad met een dikte kleiner dan 50 mm dient u een uitsparing C aan beide zijden in het kastje te zagen, zodat het toestel vrij ligt van het kastje. De kookplaat mag alleen met ATAG-ovens worden gecombineerd, niet met combitrons.
Installatie boven een combitron, magnetron of een oven van een ander merk
Zaag de beluchtingsopening(en) uit zodat de totale oppervlakte van de gaten minimaal 100 cm² is. Zie bijvoorbeeld figuur met twee gaten van 50 cm². Plaats een schermplaat tussen de oven en de kookplaat. De plaat moet minimaal 10 mm dik zijn en hittebestendig (85 °C). De ruimte tussen de onderzijde van de kookplaat en schermplaat moet minimaal 50 mm bedragen. Plaats, voor afscherming van de luchtstroom, een schermpaneel van het zelfde materiaal als de schermplaat tussen de schermplaat en de kookplaat. Beluchting vindt plaats via de naastliggende kasten.
e
t r
e
t
e
r
min. 560 x 6 mm
Pagina 25
INSTALLATIEVOORSCHRIFT inbouwen VOTRE PLAQUE DE CUISSON table des matières
- 1. Sluit het toestel aan op het elektriciteitsnet. De displays zullen even oplichten.
- 2. Controleer de werking. Indien het toestel fout is aangesloten zal het een piepsignaal geven of niets in de displays laten zien.
- 3. Overhandig de gebruiksaanwijzing aan uw cliënt.
Direct na het inschakelen zal de ventilator even inschakelen. Het toestel controleert zichzelf nu gedurende een aantal seconden.
Toestel plaatsen en aansluitingen maken
Plaats het toestel in het werkblad en zet het vast met de bijgeleverde montagebeugels en schroeven. Maak de gasaansluiting.
Controleer de aansluiting met zeepsop op gasdichtheid.
Sluit het toestel aan op het elektriciteitsnet.
Gastechnische gegevens
| G25 25 mbar | G20 20 mbar | G25 20 mbar | G30 29 mbar | G31 29 mbar | G31 37 mbar | G30 50 mbar | G31 50 mbar | |
| Brandertype | (kW) | (kW) | (kW) | (kW/g/h) | (kW/g/h) | (kW/g/h) | (kW/g/h) | (kW/g/h) |
| Wok | 5.70 | 5.70 | 5.00 | 5.50/396 | 4.85/350 | 5.50/396 | 5.50/396 | 4.75/342 |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 25)
Votre plaque de cuisson description. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50 introduction . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51 – 52 opération induction . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
Securité
les points qui méritent votre attention. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54 – 56
Commande brûleur wok allumer et régler . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
Commande plaque de cuisson inductions régler . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58 – 63 sécurité supplémentaire. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64 – 66 bip . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 67
Utilisation optimale zones de cuisson à induction casseroles . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68 – 70
Utilisation optimale le brûleur wok casseroles. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71 cuisiner avec le wok . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Cuisiner confortablement tableaux de cuisson induction. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73 – 74
Entretien Pannes
généralités. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75– 76
tableau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 77– 78 généralités. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 79
Environnement que faire de l'emballage et de l'appareil usé . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80
Instructions d'installation généralités . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81 raccordement du gaz. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82 raccordement électrique . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 83 – 86 encastrement . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 87 – 94