naslaan.comZoekenAlle merken

Liebherr HMFvh 4001, tekst van de handleiding

Pagina's 37–53 van 62 · inhoud en begin van de handleiding · pdf

← pagina's 18–36verder op pagina 54 →

Pagina 37

Bediening

Wanneer u de gegevensback-up inschakelt, kunt u kiezen welke gegevens u wilt opslaan op een USB-stick: - Temperatuurverloopbestand (Temperature_Log_000) - Gebeurtenissenlogboek (Event_Log_000) - Service-informatie (Service_Info) - Alles
De gegevensback-up bestrijkt de gehele registratieduur. De opgeslagen tekstbestanden zijn niet gecodeerd en de bestandsextensie „.log“.
Sensor kalibreren
Fig. 177
Fig. 178
► Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ C-sensor is gekalibreerd.
Fig. 179
► Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ P-sensor is gekalibreerd.
▷ Sensorkalibratie is afgesloten.
Meer informatie over de opge‐ (zie 10.3 Gegevensregi-slagen tekstbestanden: stratie)
Gegevensback-up op USB-stick activeren
Zorg ervoor dat aan de volgende vereisten is voldaan: ❑USB-stick is FAT32 geformatteerd.
❑USB-stick is aangesloten. Het apparaat herkent de USBharde schijf niet.
Fig. 175
Aanwijzing
Verwijder de USB-stick niet tijdens de gegevensback-up.
Aanwijzing
De gekalibreerde temperatuur wordt binnen twee uur in het display weergegeven.

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 37)

Fig. 176

▷ Gegevensback-up op USB-stick succesvol: U kunt meer gegevens selecteren en op een USB-stick opslaan.

7.2.25 Sensorkalibratie

U kunt met de sensor-kalibratie verschillen tussen de ingestelde en de feitelijke temperatuur vereffenen. Hiertoe bepaalt u de feitelijke temperatuur met een gekalibreerd meetapparaat.

Instelbereik C-sensor (controlesensor): +/- 3 Kelvin in stappen van 0,1 Kelvin.

Instelbereik P-sensor (productsensor): +/- 9,9 Kelvin in stappen van 0,1 Kelvin

7.2.26 Temperatuuralarm

Met deze functie stelt u het temperatuuralarm in. Hierbij definieert u de bovenste en onderste temperatuurgrens in met een verschilwaarde op de actueel ingestelde binnentemperatuur. Het temperatuuralarm wordt geactiveerd zodra de binnentemperatuur het ingestelde temperatuurbereik verlaat en een eventuele ingestelde vertragingstijd is verstreken.

VoorbeeldIn te stellen verschilwaarde
Actuele binnentemperatuur5 °C
Onderste temperatuurgrens2 °C-3 °C
Bovenste temperatuurgrens8 °C+3 °C

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 37)

U kunt de volgende waarden instellen:

- Verschilwaarde voor de onderste temperatuurgrens in stappen van 0,1 °C

* afhankelijk van model en uitvoering 37

Pagina 38

Bediening

Temperatuuralarm instellen

Fig. 180

Fig. 181

Fig. 182

Fig. 183 Voorbeeld voor de instelling van de temperatuurondergrens, gebaseerd op een ingestelde apparaattemperatuur van 5 °C.

▷ Onderste temperatuurgrens is ingesteld.

Fig. 184 Voorbeeld voor de instelling van de temperatuurondergrens, gebaseerd op een ingestelde apparaattemperatuur van 5 °C.

▷ Bovenste temperatuurgrens is ingesteld.

Fig. 185

Fig. 186

Ingestelde waarden temperatuuralarm weergeven

Fig. 187

Fig. 188

Fig. 189

Fig. 190

▷ Ingestelde waarden temperatuuralarm worden weergegeven.

38 * afhankelijk van model en uitvoering

Pagina 39

Bediening

7.2.27 Deuralarm

Met deze functie activeert of deactiveert u het deuralarm. Het deuralarm klinkt als de deur te lang geopend is. Het deuralarm is bij levering geactiveerd. U kunt instellen hoe lang de deur mag zijn geopend, tot het deuralarm klinkt.

U kunt de volgende waarden instellen:

Deuralarm instellen

Fig. 191

Fig. 193 Voorbeeldweergave: Deuralarm van 30 seconden in 60 seconden veranderen.

▷ Deuralarm is ingesteld.

Deuralarm deactiveren

Fig. 194

Fig. 195

7.2.28 Lichtalarm

*

Met deze instelling kunnen de visuele alarmmeldingen op het display extra worden geaccentueerd door knipperende apparaatverlichting.

Lichtalarm activeren

Fig. 196

Fig. 197

Fig. 198

Fig. 199

Lichtalarm deactiveren

Fig. 200

Fig. 201

Fig. 202

Fig. 203

* afhankelijk van model en uitvoering 39

Pagina 40

Bediening

7.2.29 Alarmsimulatie

Met deze functie kunt u een temperatuuralarm in het apparaat simuleren om bijv. het juiste activeren van een veiligheidsinrichting te controleren. De veiligheidsinrichting moet op de potentiaalvrije alarmuitgang worden aangesloten. (zie 8.5 Interfaces)

Alarmsimulatie starten

Fig. 204

Fig. 205

Fig. 206

Fig. 207

▷ Simulatie is uitgevoerd.

▷ Aangesloten veiligheidssystemen zouden geactiveerd zijn.

7.2.30 Alarmlogboek

Deze instelling maakt het mogelijk de laatste 10 op het apparaat opgetreden alarmen op te vragen en te wissen.

Het volgende wordt weergegeven:

- Datum en tijd - Actieve alarmen (rood).

- Alarmen uit het verleden die nog niet zijn opgevraagd worden als niet bevestigd (rood) weergegeven.

Deze worden bevestigd door vegen naar de volgende fout.

- Aannamen die opgevraagd werden worden als bevestigd weergegeven.

- Wissen van alle alarmen (ook actieve en niet bevestigdealarmen).

Alarmlogboek weergeven en een enkel alarm wissen

Fig. 208

-of-

Fig. 209

Alarmlogboek weergeven en alle alarmen wissen

Fig. 210

-of-

40 * afhankelijk van model en uitvoering

Pagina 41

Bediening

Fig. 211

7.2.31 Alarm doorsturen

Met deze functie kunt u instellen of een of meerdere alarmen moeten worden doorgestuurd naar een externe alarmontvanger. Hierbij moet de alarmontvanger worden aangesloten op een potentiaalvrije alarmuitgang van het apparaat. (zie 8.5 Interfaces)

U kunt de volgende instellingen kiezen:

Temperatuuralarm afhankelijk van de ingestelde tijd (zie 7.2.26 Temperatuuralarm ) (Als u de vertragingstijd van het alarm op „0” instelt, is er ook bij het alarmrelais geen alarmherhaling.)

Deuralarm na 1 of 4 minuten* (zie 7.2.27 Deuralarm )

Alarm doorsturen activeren

Fig. 212

Fig. 213

7.2.32 Demomodus

De demomodus is een speciale functie voor dealers die apparaatfuncties willen demonstreren. Als u de demomodus activeert, zijn alle koudetechnische functies gedeactiveerd.

Als u uw apparaat inschakelt en in de statusweergave een "D" verschijnt, is de demomodus al geactiveerd.

Als u de demomodus activeert en vervolgens weer deactiveert, wordt het apparaat teruggezet naar de fabrieksinstellingen. (zie 7.2.33 Resetten naar fabrieksinstellingen )

Demomodus activeren

Fig. 214

Fig. 215

* afhankelijk van model en uitvoering 41

Pagina 42

Bediening

▷ Demomodus is geactiveerd.
▷ Apparaat is uitgeschakeld.
► Apparaat inschakelen. (zie 5.1 Apparaat inschakelen (eerste inbedrijfstelling)) ▷ In de statusweergave verschijnt "D".
Reset uitvoeren
Demomodus deactiverenFig. 218
Fig. 216
Fig. 217
► Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Demomodus is gedeactiveerd.
Fig. 219
► Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Apparaat wordt gereset.
▷ Apparaat is uitgeschakeld.
Aanwijzing
Resetten naar fabrieksinstellingen in batterijmodus: Herstarten is alleen met netspanning mogelijk.
▷ Apparaat is uitgeschakeld.
► Apparaat inschakelen. (zie 5.1 Apparaat inschakelen (eerste inbedrijfstelling)) ▷ Apparaat is teruggezet naar de fabrieksinstellingen.
► Apparaat opnieuw starten. (zie 5.1 Apparaat inschakelen (eerste inbedrijfstelling))
7.3 Meldingen
7.2.33 Resetten naar fabrieksinstel‐7.3.1 Waarschuwingen
lingen
Gebruik deze functie om alle instellingen terug te zetten naar de fabrieksinstellingen. Alle instellingen die u tot nu toe hebt gemaakt, worden gereset naar de oorspronkelijke instellingen.
Waarschuwingen worden akoestisch door een signaaltoon en optisch door een symbool op het display weergegeven. De signaaltoon wordt sterker en luider tot de melding wordt bevestigd.

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 42)

Melding (rood)OorzaakOplossing
Deur openDe melding verschijnt, als de deur te lang geopend is.Deur sluiten.
Kort aanraken.
Alarm wordt beëindigd.
Aanwijzing
De tijd, tot het bericht verschijnt, kan worden ingesteld. (zie 7.2.27 Deuralarm )
TemperatuuralarmDe melding verschijnt, als de temperatuur niet overeenkomt met de ingestelde temperatuur. Oorzaken voor temperatuurverschillen kunnen zijn:
Er zijn warme levensmiddelen in het apparaat geplaatst.
Bij het sorteren en uitnemen van levensmiddelen is teveel warme ruimtelucht binnen gestroomd.
De stroom is gedurende langere tijd uitgevallen.
Kort aanraken.
Informatie over fouten en de apparaatstatus worden weergegeven.
Kort aanraken.
Hoogste/laagste temperatuur, de datum en de tijd worden weergegeven.
Kort aanraken.
Statusbeeldscherm wordt weergegeven. De huidige temperatuur en het alarmsymbool knipperen rood tot de ingestelde temperatuur bereikt is.
Kwaliteit van het koelgoed controleren.

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 42)

42 * afhankelijk van model en uitvoering

Pagina 43

Bediening

Melding (rood)OorzaakOplossing
FoutFunctie van het apparaat is beperkt, een onderdeel van het apparaat vertoont een fout of het apparaat is defect.Kort aanraken.
Foutcode (bijv. BT021) wordt weergegeven.
Kort aanraken.
Eventuele verdere foutcode wordt weergegeven.
of
Statusbeeldscherm met knipperend foutsymbool wordt weergegeven.
Door vegen of tikken op het display wordt/ worden de foutcode(s) opnieuw weergegeven. Foutcode(s) noteren.
Controleer of de fout op de lijst staat en of u de fout zelf kunt verhelpen. (zie 10.2 Technische storing)
Fout staat niet op de lijst of bestaat nog steeds: Contact opnemen met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice)
Gekoelde producten ergens anders bewaren.
Melding geeft aan dat de vorstbeveiligingsmodus actief is (bijv. door veelvuldig openen van deuren of inladen van levensmiddelen).Kort aanraken.
FRZ.PROT wordt weergegeven.
Kort aanraken.
Statusbeeldscherm met knipperend foutsymbool wordt weergegeven.
Door vegen of tikken op het display wordt de melding opnieuw weergegeven.
Het apparaat schakelt na een paar uur automatisch over naar de normale bedrijfsmodus en de melding verdwijnt. U kunt de modus en het bericht ook annuleren door er lang op te tikken. Als het bericht herhaaldelijk wordt weergegeven en de genoemde oorzaken niet van toepassing zijn, neem dan contact op met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice)
StroomuitvalDe melding verschijnt na een onderbreking van de stroomvoorziening.
De gebruikersinterface blijft werken in batterijmodus. Alle functies behalve koeling en verlichting blijven actief.
Kort aanraken.
De oplaadtoestand van de batterij, informatie over fouten en de apparaatstatus worden weergegeven.
Kort aanraken.
De warmste temperatuur en de duur van de stroomonderbrekingen worden weergegeven. Kort aanraken.
Statusbeeldscherm wordt weergegeven.
De huidige temperatuur en het alarmsymbool knipperen rood tot de ingestelde temperatuur bereikt is.
Kwaliteit van het koelgoed controleren.
WLAN-foutWLAN-verbinding is onderbroken.Verbinding controleren. Kort tikken.
Alarm wordt beëindigd.

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 43)

* afhankelijk van model en uitvoering 43

Pagina 44

Uitrusting

Melding (rood)OorzaakOplossing
WWW-fout WLANDe melding verschijnt als er geen internetverbinding via WLAN is.Verbinding controleren. Kort tikken.
Alarm wordt beëindigd.
LAN-foutLAN-verbinding is onderbroken.Verbinding en netwerkkabel controleren. Kort tikken.
Alarm wordt beëindigd.
WWW-fout LANDe melding verschijnt als er geen internetverbinding via LAN is.Verbinding controleren. Kort tikken.
Alarm wordt beëindigd.
BatterijfoutLaadtoestand van de apparaatbatterij laag (maximaal 20% resterend).Netspanning naar het apparaat herstellen, en 12 uur later controleren of het laadniveau is toegenomen. Neem anders contact op met de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) of vervang de batterij. (zie 9.4 Batterij van apparaat vervangen) Kort tikken.
Alarm wordt beëindigd.

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 44)

7.3.2 Herinneringen

Er verschijnen herinneringen bij oproepen om iets te doen.

Ze worden akoestisch door een signaaltoon en optisch door een symbool op het display weergegeven. Bevestigen van de melding door drukken op de bevestigingstoets.

Melding (geel)OorzaakOplossing
OnderhoudsherinneringDe melding verschijnt als de timer van het ingestelde onderhoudsinterval is afgelopen.Kort tikken.
Herinnering wordt beëindigd.
Aanwijzing
Het onderhoudsinterval kan worden ingesteld (zie 7.2.11 Herinnering onderhoudsinterval ) .
OpnameherinneringHet bericht verschijnt als het geheugen van de temperatuurregistratie (999 uur) vol is.Kort tikken.
Herinnering wordt beëindigd.
De oudste gegevens worden overschreven.
Aanwijzing
De temperatuurregistratie kan worden gereset. (zie 7.2.4 Temperatuurregistratie )
AlarmlogboekDe melding verschijnt, als er meer dan 10 onbevestigde alarmmeldingen zijn.Kort tikken.
Meldingen controleren.
Herinnering wordt beëindigd.
Handmatig geopendDe melding verschijnt, als de elektronisch gesloten deur handmatig werd geopend.Deur sluiten.
Kort tikken.
Herinnering wordt beëindigd.

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 44)

8 Uitrusting Toepassing:

- Met deurcode vergrendelen en ontgrendelen. (zie 7.2.6 Deurvergrendeling ) 8.1 Veiligheidsslot - Automatische vergrendeling activeren en deactiveren. (zie 7.2.6 Deurvergrendeling ) De apparaatdeur is voorzien van een elektronisch slot.

44 * afhankelijk van model en uitvoering

Pagina 45

- Deur met afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen. (zie 7.2.10 Afstandsbediening ) - Deur wordt automatisch vergrendeld na een stroomstoring (kan niet worden uitgeschakeld).

8.1.1 Noodontgrendeling

U kunt bij stroomuitval de deur met de noodontgrendelingssleutel openen.

Uitrusting

8.2.1 Afstandsbediening gebruiken

8.3 Sensoren

Fig. 220

8.2 Afstandsbediening

Met de afstandsbediening kan het deurslot op afstand worden vergrendeld of ontgrendeld.

Voor gebruik moet deze met het apparaat worden verbonden. (zie 7.2.10 Afstandsbediening )

De batterij kan worden vervangen. (zie 9.4 Batterij van apparaat vervangen)

Het apparaat kan uitgerust zijn met de volgende sensoren voor temperatuurbewaking:

- Veiligheidsthermostaatsensor - C-sensor - P-sensor

8.3.1 Veiligheidsthermostaatsensor

De veiligheidsthermostaatsensor bewaakt de temperatuurdaling en beschermt zo tegen te lage temperaturen (Freeze Protect). Wanneer de temperatuur onder de drempel zakt, regelt het apparaat de temperatuur automatisch. De foutmelding FRZ. PROT (Freeze Protect) (zie 7.3 Meldingen) verschijnt.

Aanwijzing

Veiligheidsshermostaatsensor niet afdekken.

8.3.2 C-sensor (controlesensor)

De C-sensor is vast ingebouwd en regelt de binnentemperatuur van het apparaat. Indien nodig kunt u de C-sensor kalibreren. (zie 7.2.25 Sensorkalibratie )

8.3.3 P-sensor (referentiesensor)

De P-sensor is vast in het interieur ingebouwd en toont de producttemperatuur die de temperatuur van het koelproduct simuleert. De P-sensor-temperatuur wordt op de statusweergave als werkelijke temperatuur weergegeven en de ingestelde temperatuurgrenswaarden hebben hierop betrekking. De weergave van de P-sensor kan indien nodig worden gekalibreerd. (zie 7.2.25 Sensorkalibratie )

8.4 Sensor-info

Fig. 221

Met deze functie kan worden gekozen tussen C-sensor of P-sensor.

Zorg ervoor dat aan de volgende vereiste is voldaan:

❑P-sensor is aangesloten op het apparaat. (zie 8.5 Interfaces)

8.4.1 C-sensor selecteren

Fig. 222

* afhankelijk van model en uitvoering 45

Pagina 46

Uitrusting

Fig. 223

8.4.2 P-sensor selecteren

Fig. 224

Fig. 225

8.5 Interfaces

Aan de achterkant van het apparaat bevinden zich verschillende aansluitmogelijkheden.

Fig. 226

Aanwijzing

De stekkers zijn met schroeven vastgezet. Om de stekkers te kunnen lostrekken, schroeven rechts en links losdraaien.

Fig. 227

8.5.1 Potentiaalvrije alarmuitgang

WAARSCHUWING

Letselgevaar door elektrische schok!

Deze drie contacten kunnen worden gebruikt voor aansluiting van een optisch of akoestisch alarmsysteem. De aansluiting is ontworpen voor maximaal 30 V (DC) - 8 A uit een bron met extra lage veiligheidsspanning SELV (minimumstroom 150 mA).

Fig. 228

8.5.2 Aansluiting voor P-sensor

Fig. 229

46 * afhankelijk van model en uitvoering

Pagina 47

Onderhoud

9 Onderhoud

9.1 Onderhoudsschema

Er moeten regelmatig onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd om de werking van het apparaat in stand te houden.

VOORZICHTIG

Gevaren voor letsel een beschadiging door ondeskundig uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden!

Lichamelijk letsel en materiële schade.

WAARSCHUWING

Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!

Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.

Aanwijzing

Er kan een herinneringsfunctie voor het onderhoud geactiveerd worden. (zie 7.2.11 Herinnering onderhoudsinterval )

Aanwijzing

Aanbevolen wordt een onderhoudslogboek aan te leggen waarin alle uitgevoerde werkzaamheden (reparaties, inspecties) worden gedocumenteerd.

Aanwijzing

Liebherr adviseert een jaarlijkse onderhoudsbeurt. Neem contact op met de klantenservice voor een individuele offerte (zie 10.4 Klantenservice) .

OnderdeelActiviteitOnderhoudsinterval
Plaatstalen onderdelenOp beschadigingen en corrosie controleren. Vervangen van beschadigde onderdelen: (zie 10.4 Klantenservice)Jaarlijks
Deur, scharnierenOp de uitlijning (zie 3.9 Deur uitlijnen) , soepele beweging en goed vastzitten controleren.Jaarlijks
Slot, deurgreep*Op gemakkelijke beweging en vastzitten controleren.Jaarlijks
DeurafdichtingOp beschadiging, slijtage en vastzitten controleren. Er is een vervangende deurafdichting via de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) verkrijgbaar.Jaarlijks
SensorSensor kalibreren. (zie 7.2.25 Sensorkalibratie )Jaarlijks
SensordoorvoerControleren of de afdichtingsmassa onbeschadigd is.Jaarlijks
BatterijBatterij van apparaat vervangen.
Er is een vervangingsbatterij via de klantenservice verkrijgbaar. (zie 9.4 Batterij van apparaat vervangen)
5 tot 10 jaar
OppervlakkenReinigen (zie 9.3 Apparaat reinigen)Aanbeveling: maandelijks, indien nodig of volgens de eisen op de plaats van opstelling
OppervlakkenDesinfecteren
De volgende desinfectiemiddelen zijn getest voor gebruik op het apparaat:
Dismozon pur 1 % Lösung (Bode Chemie), Suma Quicksan (Diversey), Incidin Extra N (Ecolab Healthcare), Acrylan (Antiseptica chem.-pharm. Produkte), Buraton 10 F (Schülke und Mayr), Frankocid N (Franken Chemie), Apesin DSR 50 (Tana), Nüscosept Spray (Dr. Nüsken), Melsept SF (B. Braun Melsungen), Kohrsolin (Bode Chemie), Neoquat S (Dr. Weigert), Indicin Rapid (Ecolab Healthcare), Bacillocid Spezial (Bode Chemie), Neoform K Spray (Dr. Weigert), Apesin Desinf. Spray (Tana), Nüscosept 100 (Dr. Nüsken), Antisept T (Fink Tec), Apesin AP 100 0,50% Lösung (Tana), Perform Pulver 2% Lösung (Schülke und Mayr) De gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht nemen. Als er andere dan genoemde desinfectiemiddelen worden gebruikt, moeten deze eerst op een onopvallende plaats worden getest.
Aanbeveling: maandelijks, indien nodig of volgens de eisen op de plaats van opstelling

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 47)

* afhankelijk van model en uitvoering 47

Pagina 48

Onderhoud

OnderdeelActiviteitOnderhoudsinterval
Plaats van opstelling, apparaatDecontamineren
Het apparaat is geschikt voor de ruimtedecontami-natie met waterstofperoxide H2O2.
De waarden van de volgende toepassingsspecificatie mogen niet overschreden worden:
Maximale concentratie 250 ppm.
Maximale vochtigheid 85 %.
Maximaal toelaatbare ruimtetemperatuur volgens klimaatklasse. (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat)
Aanbeveling: indien nodig of volgens eisen op de plaats van opstelling, maximaal 2 keer per jaar
Ventilator ventilatoropeningReinigen (zie 9.3.3 Ventilatorafdekking reinigen)Jaarlijks
Alarm doorsturenControleren of de stekkerverbindingen goed vastzitten.Jaarlijks
SensorStekkerverbindingen op goede bevestiging controleren.Jaarlijks
NetkabelOp beschadiging controleren.Jaarlijks of
Bij locatieverandering
HellingshoekOp werking en goede bevestiging controleren.Jaarlijks of
Bij locatieverandering
Stelpoten/wieltjesOp werking, beschadiging en goede bevestiging controleren.
Beschadigde onderdelen vervangen. (zie 10.4 Klantenservice)
Jaarlijks

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 48)

9.2 Apparaat ontdooien

9.3 Apparaat reinigen

9.3.1 Voorbereiden

WAARSCHUWING

Apparaat op de verkeerde manier ontdooid!

Verwondingen en beschadigingen.

Het ontdooien gebeurt automatisch. Het dooiwater wordt via de afvoeropening afgevoerd en verdampt.

Om de functionaliteit van het apparaat te behouden, raden we aan het te ontdooien als er veel ijsvorming is. Voor ijsvorming in de binnenruimte zijn de plaats van opstelling (bijv. een hoge luchtvochtigheid), instellingen op het apparaat en verkeerd gebruikersgedrag bepalend.

Als de automatische ontdooicyclus niet voldoende is:

Als het probleem blijft bestaan, moet het apparaat handmatig worden ontdooid:

WAARSCHUWING

Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!

Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.

WAARSCHUWING

Brandgevaar

9.3.2 Behuizing reinigen

LET OP

Ondeskundige reiniging!

Beschadigingen aan het apparaat.

48 * afhankelijk van model en uitvoering

Pagina 49

Onderhoud

WAARSCHUWING

Gevaar voor verwonding en beschadiging door hete stoom! Hete stoom kan brandwonden veroorzaken en de oppervlakken beschadigen.

LET OP

Beschadigingsgevaar door kortsluiting!

9.3.3 Ventilatorafdekking reinigen

LET OP

Beschadigingsgevaar door kortsluiting!

LET OP

Ondeskundige reiniging!

Beschadigingen aan het apparaat.

Fig. 230

9.3.4 Binnenruimte reinigen

WAARSCHUWING

Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!

Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.

WAARSCHUWING

Gevaar voor verwonding en beschadiging door hete stoom! Hete stoom kan brandwonden veroorzaken en de oppervlakken beschadigen.

LET OP

Ondeskundige reiniging!

Beschadigingen aan het apparaat.

Aanwijzing

Aanwijzing

Typeplaatje aan binnenzijde van apparaat niet beschadigen of verwijderen. Typeplaatje is belangrijk voor de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice)

9.3.5 Na het reinigen

Als de temperatuur voldoende koud is:

9.4 Batterij van apparaat vervangen

De batterij van het apparaat zorgt ervoor de temperatuurgeschiedenis en de alarm- en serviceberichten ook na een stroomstoring opgeslagen worden en de alarmberichten nog ongeveer 12 uur op het display weergegeven worden. Bij de eerste inbedrijfstelling kan het tot 24 uur duren tot de batterij opgeladen en volledig functioneel is.

Er is een vervangingsbatterij via de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) verkrijgbaar.

* afhankelijk van model en uitvoering 49

Pagina 50

Klantenhulp

9.4.1 Batterij vervangen

WAARSCHUWING

Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!

Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.

Fig. 231

Aanwijzing

9.5 Batterij van de afstandsbediening vervangen

Fig. 232

De stroomvoorziening van de afstandsbediening vindt plaats via een batterij van het type CR 2032 met 3V Fig. 232 (2) die verkrijgbaar is bij de gespecialiseerde handel.

9.5.1 Batterij vervangen

▷ Batterijvak is open.

Aanwijzing

10 Klantenhulp

10.1 Technische gegevens

Temperatuurbereik

Koelen +5 °C

Maximale belading per steunvlak A)
Apparaatbreedte550 mm600 mm750 mm
Oplegroosters--45 kg60 kg
Glasplaat40 kg40 kg40 kg
Schuiflade (vriesapparatuur)15 kg15 kg15 kg
Apothekerslade25 kg25 kg

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 50)

50 * afhankelijk van model en uitvoering

Pagina 51

Klantenhulp

A) Bij zware belading kunnen de steunen iets doorbuigen.
Opstelvoorwaarden
Maximale hoogte werkings‐ 2000 m positie (m boven zeeniveau) 1500 m (glazen deur)*
Maximale totale inhoud en nettogewicht
Model (zie 3.2 Afme‐ Maximale totale Nettogewicht tingen apparaat) inhoud
Elektrische waarden
Nominale spanning 220-240 V ~ Frequentie 50/60 Hz Aansluitwaarde 2,0 A Maximale netschommelingen +/-10 % Overspanningscategorie II
HMF.. 3501* 180 kg* 67 kg*
HMF.. 3511* 180 kg* 82 kg*
HMF.. 4001* 225 kg* 65 kg*
HMF.. 4011* 225 kg* 83 kg*
HMF.. 5501* 300 kg* 82 kg*
HMF.. 5511* 300 kg* 101 kg*
Netto-inhoud
Zie de nuttige inhoud op het typeplaatje. (zie 2.2 Apparaat- en uitrustingsoverzicht)
Gegevens conform DIN 13277 gemeten bij +5 °C
Model Energie‐ Tempera‐ Tempera‐ Temperatuur-HMFvh verbruik tuurstij‐ tuur- constantie (kWh/ ging bij homogeni‐ (°K) 24h) stroom‐ teit (°K) uitval (min) 4001 0,460 95 1,7 1,0 4011 0,741 65 2,7 1,7 5501 0,498 115 1,1 0,9 5511 0,794 65 1,6 1,0
Verlichting
Energie-efficiëntieklasse A) Lichtbron
Dit product bevat een of meerdere lichtbronnen Led van energie-efficiëntieklasse F
A) Dit product kan lichtbronnen met verschillende energie-efficiëntieklassen bevatten. De laagste energie-efficiëntieklasse is aangegeven.
Apparaatbatterij
Type 1S2P/NCR 18650BF Nominale spanning 3,6 V DC Capaciteit 6,7 Ah
Specificatie WLAN-frequentie
Frequentieband 2,4 GHz
Maximum uitgestraald <100 mW vermogen
Beoogd gebruik van de Integratie in het plaatselijke radioapparatuur WLAN-netwerk voor gegevenscommunicatie
Opstelvoorwaarden
Mate van vervuiling (omge‐ PD2 ving van het apparaat)
Minimale en maximale Zie klimaatklassen. kamertemperatuur (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat) Maximale relatieve lucht‐ Zie klimaatklassen. vochtigheid (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat)
10.2 Technische storing
Uw apparaat is zodanig geconstrueerd en gemaakt dat functieveiligheid en lange levensduur gegarandeerd zijn. Als er tijdens de werking een storing optreedt, controleer dan of de storing werd veroorzaakt door een bedieningsfout. In dat geval moeten ook de tijdens de garantieperiode gemaakte kosten aan u worden doorberekend.
De volgende storingen kunt u zelf verhelpen.
10.2.1 Apparaatfunctie

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 51)

ProbleemOorzaakOplossing
Het apparaat werkt niet.Het apparaat is niet ingeschakeld.► Apparaat inschakelen.
De netstekker steekt niet correct in het stopcontact.► Netstekker controleren.
De zekering van het stopcontact is niet in orde.► Zekering controleren.
Stroomuitval► Apparaat gesloten houden.
► De deur kan worden geopend met de noodontgrendelingssleutel. (zie 8.1 Veiligheidsslot)
► Indien nodig de koel-/vrieswaren in een decentrale koel-/vrieskast bewaren, als de stroom langdurig uitvalt.
De koelapparaatbus steekt niet correct in het apparaat.► Koelapparaatbus controleren.

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 51)

* afhankelijk van model en uitvoering 51

Pagina 52

Klantenhulp

ProbleemOorzaakOplossing
Temperatuur is te laag.De apparaatdeur is niet correct aangesloten.► Apparaatdeur sluiten.
De be- en ontluchting is onvoldoende.► Ventilatieroosters vrijmaken en reinigen.
De omgevingstemperatuur is te hoog.► Let op de juiste omgevingsvoorwaarden: (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat)
Het apparaat werd te vaak of te lang geopend.► Afwachten of de noodzakelijke temperatuur vanzelf weer wordt ingesteld. Als dit niet gebeurt, dan contact opnemen met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice)
De temperatuur is verkeerd ingesteld.► Temperatuur lager instellen en na 24 uur controleren.
Het apparaat staat te dicht bij een warmtebron (fornuis, verwarming etc.).► Opstelplaats van het apparaat of de warmtebron veranderen.
Afstandsbediening functioneert niet.Batterij van de afstandsbediening is leeg.► Batterij vervangen.
Radioverbinding met het apparaat te zwak.► Afstand tot het apparaat verkleinen.
Afstandsbediening niet gekoppeld.► Afstandsbediening opnieuw koppelen: (zie 7.2.10 Afstandsbediening )
Afstandsbediening is defect.► Contact opnemen met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice)

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 52)

10.3 Gegevensregistratie

Als u op uw apparaat een gegevensback-up op een USBstick hebt uitgevoerd (zie 7.2.24 Downloaden van gegevens (gegevensback-up) ) , kunt u de opgeslagen tekstbestanden analyseren.

Na de gegevensback-up worden de volgende bestanden op de USB-stick opgeslagen:

Event_Log_*.logGebeurtenissenlogboek
Temperature_Log_*.logTemperatuurverloopbestand
Service_Info.logDit bestand is alleen bedoeld voor klantenservice.
Download_Info.txtDit bestand bevat informatie over het apparaat en de controlesom van de gedownloade bestanden.

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 52)

De bestanden Event_Log_*.log en Temperature_Log_*.log worden na het bereiken van een gedefinieerde bestandsgrootte (000, 001, 002, enz.) opeenvolgend genummerd.

Logfile Event_Log_*.log en Temperature_Log_*.log:

Fig. 233 Voorbeeldweergave

De individuele waarden worden gescheiden door puntkomma's (;).

Gegevensvelden Event_Log_*.log:

Event Id; Additional Data (zie 10.3.1 Gebeurtenissenlogboek → Event_Log_*.log)

Gegevensvelden Temperature_Log_*.log: Control Sensor Zone 0; Product Sensor Zone 0; Safety-Device Sensor Zone 0; Evaporator Zone 0; Control Sensor Zone 1; Evaporator Zone 1; Ambient (zie 10.3.2 Temperatuurverloopbestand → Tempera-ture_Log_*.log)

52 * afhankelijk van model en uitvoering

Pagina 53

Klantenhulp

10.3.1 Gebeurtenissenlogboek → Event_Log_*.log

10.3.1 A

Event IdAdditional Data
A = Alarm0 = Het deuralarm waarschuwt de gebruiker als deze de deur te lang opent of vergeet te sluiten.0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit
1 = Aan
2 = Bevestigd
A = Alarm6 = Het apparaat controleert cyclisch of alle sensoren goed werken. Als dit niet het geval is, worden de noodmodus en het alarm geactiveerd.0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit
1 = Aan
2 = Bevestigd
A = Alarm12 = Het alarm voor stroomuitval waarschuwt de gebruiker na een stroomuitval dat het apparaat te warm is geworden tijdens de stroomuitval.0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit
1 = Aan
2 = Bevestigd
A = Alarm13 = Het alarm voor stroomuitval waarschuwt de gebruiker na een stroomuitval dat het apparaat te koud is geworden tijdens de stroomuitval.0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit
1 = Aan
2 = Bevestigd
A = Alarm45 = Het temperatuuralarm wordt geactiveerd wanneer de weergegeven temperatuur gedurende de geconfigureerde tijd het bovenste temperatuurbereik verlaat.0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit
1 = Aan
2 = Bevestigd
A = Alarm48 = Het temperatuuralarm wordt geactiveerd wanneer de weergegeven temperatuur gedurende de geconfigureerde tijd het onderste temperatuurbereik verlaat.0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit
1 = Aan
2 = Bevestigd
A = Alarm54 = Het apparaatstoringsalarm wordt actief als een elektronisch component (sensor of actuator met terugkoppeling) een storing heeft en de apparaatstoringsfunctionaliteit is geconfigureerd.0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit
1 = Aan
2 = Bevestigd
A = Alarm127 = De waarschuwing wordt actief wanneer de datalogger een stroomstoring in het lokale 13 V-systeem detecteert.0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit
1 = Aan
2 = Bevestigd

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)

10.3.1 B
Event IdAdditional Data
B = Fout in dataloggerI = Info Interne gebeurtenisloggegevens voor de klantenservice. W = Warning
E = Error
R = Reset
A = Assert
10.3.1 C
Event IdAdditional Data
C = Compressor0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. 0 = Uit 1 = Aan

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)

10.3.1 DF

Event IdAdditional Data
DF = Ontdooien0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond.0 = Uit 1 = Aan

Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)

* afhankelijk van model en uitvoering 53

← pagina's 18–36verder op pagina 54 →Inhoud