Liebherr HMTvh 1501, tekst van de handleiding
Pagina's 39–54 van 62 · inhoud en begin van de handleiding · pdf
← pagina's 19–38verder op pagina 55 →
Pagina 39
Fig. 186
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Alarmherhalingsinterval is ingesteld. ▷ Temperatuuralarm is ingesteld.
Ingestelde waarden temperatuuralarm weergeven
Fig. 187
Fig. 188
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren.
Fig. 189
Fig. 190
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren.
▷ Ingestelde waarden temperatuuralarm worden weergegeven.
7.2.27 Deuralarm
Met deze functie activeert of deactiveert u het deuralarm. Het deuralarm klinkt als de deur te lang geopend is. Het deuralarm is bij levering geactiveerd. U kunt instellen hoe lang de deur mag zijn geopend, tot het deuralarm klinkt.
U kunt de volgende waarden instellen:
- 15 seconden
- 30 seconden
- 60 seconden
- 90 seconden
- 120 seconden
- 150 seconden
- 180 seconden
- Uit
* afhankelijk van model en uitvoering
Bediening
Deuralarm instellen
Fig. 191
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Deuralarm is ingesteld.
Deuralarm deactiveren
Fig. 194
Fig. 195
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Deuralarm is gedeactiveerd.
*
7.2.28 Lichtalarm
Met deze instelling kunnen de visuele alarmmeldingen op het display extra worden geaccentueerd door knipperende apparaatverlichting.
Lichtalarm activeren
Fig. 196
Fig. 197
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren.
Fig. 198
Fig. 199
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Het lichtalarm is geactiveerd.
39
Pagina 40
Bediening
Lichtalarm deactiveren
Fig. 200
Fig. 201
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren.
Fig. 202
Fig. 203
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Het lichtalarm is gedeactiveerd.
7.2.29 Alarmsimulatie
Met deze functie kunt u een temperatuuralarm in het apparaat simuleren om bijv. het juiste activeren van een veiligheidsinrichting te controleren. De veiligheidsinrichting moet op de potentiaalvrije alarmuitgang worden aangesloten. (zie 8.5 Interfaces)
Alarmsimulatie starten
Fig. 204
Fig. 205
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren.
Fig. 206
Fig. 207
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren.
▷ Simulatie is uitgevoerd.
▷ Aangesloten veiligheidssystemen zouden geactiveerd zijn.
7.2.30 Alarmlogboek
Deze instelling maakt het mogelijk de laatste 10 op het apparaat opgetreden alarmen op te vragen en te wissen.
Het volgende wordt weergegeven:
- Datum en tijd
- Actieve alarmen (rood).
- Alarmen uit het verleden die nog niet zijn opgevraagd worden als niet bevestigd (rood) weergegeven.
Deze worden bevestigd door vegen naar de volgende fout.
- Aannamen die opgevraagd werden worden als bevestigd weergegeven.
- Wissen van alle alarmen (ook actieve en niet bevestigdealarmen).
Alarmlogboek weergeven en een enkel alarm wissen
Fig. 208
-of-
- Via het indicatiesymbool aan de onderste rand van het statusdisplay.
Fig. 209
40 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 41
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Een alarm werd opgevraagd en gewist.
Alarmlogboek weergeven en alle alarmen wissen
Fig. 210
-of-
- Via het indicatiesymbool aan de onderste rand van het statusdisplay.
Fig. 211
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Alle alarmen werden opgevraagd en gewist.
7.2.31 Alarm doorsturen
Met deze functie kunt u instellen of een of meerdere alarmen moeten worden doorgestuurd naar een externe alarmontvanger. Hierbij moet de alarmontvanger worden aangesloten op een potentiaalvrije alarmuitgang van het apparaat. (zie 8.5 Interfaces)
U kunt de volgende instellingen kiezen:
- Alarmtype:
- Deuralarm
- Temperatuuralarm
- Deuralarm en temperatuuralarm • lles
- Bevestigen:
- Ja: Het alarm wordt op het apparaat en bij de extern gekoppelde ontvanger bevestigd.
- Nee: Het alarm wordt op het apparaat bevestigd, en blijft op de ontvanger actief, tot de fout is verholpen.
- Verversen (alleen zichtbaar, als u bij het bevestigen „Ja” kiest):
- Ja: alarm wordt herhaald.
Temperatuuralarm afhankelijk van de ingestelde tijd (zie 7.2.26 Temperatuuralarm )
Bediening
(Als u de vertragingstijd van het alarm op „0” instelt, is er ook bij het alarmrelais geen alarmherhaling.)
Deuralarm na 1 of 4 minuten* (zie 7.2.27 Deuralarm )
- Nee: Alarm constant bevestigd.
Alarm doorsturen activeren
Fig. 212
Fig. 213
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Het doorsturen van het alarm is ingesteld.
7.2.32 Demomodus
De demomodus is een speciale functie voor dealers die apparaatfuncties willen demonstreren. Als u de demomodus activeert, zijn alle koudetechnische functies gedeactiveerd.
Als u uw apparaat inschakelt en in de statusweergave een "D" verschijnt, is de demomodus al geactiveerd.
Als u de demomodus activeert en vervolgens weer deactiveert, wordt het apparaat teruggezet naar de fabrieksinstellingen. (zie 7.2.33 Resetten naar fabrieksinstellingen )
Demomodus activeren
Fig. 214
* afhankelijk van model en uitvoering 41
Pagina 42
Bediening
| Fig. 215 ► Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Demomodus is geactiveerd. ▷ Apparaat is uitgeschakeld. ► Apparaat inschakelen. (zie 5.1 Apparaat inschakelen (eerste inbedrijfstelling)) ▷ In de statusweergave verschijnt "D". | Reset uitvoeren Fig. 218 |
| Demomodus deactiveren | Fig. 219 ► Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Apparaat wordt gereset. ▷ Apparaat is uitgeschakeld. |
| Aanwijzing | |
| Fig. 216 | Resetten naar fabrieksinstellingen in batterijmodus: Herstarten is alleen met netspanning mogelijk. |
| ► Apparaat opnieuw starten. (zie 5.1 Apparaat inschakelen (eerste inbedrijfstelling)) |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 42)
7.3 Meldingen
7.3.1 Waarschuwingen
Fig. 217
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren.
▷ Demomodus is gedeactiveerd.
▷ Apparaat is uitgeschakeld.
- Apparaat inschakelen. (zie 5.1 Apparaat inschakelen (eerste inbedrijfstelling)) ▷ Apparaat is teruggezet naar de fabrieksinstellingen.
Waarschuwingen worden akoestisch door een signaaltoon en optisch door een symbool op het display weergegeven. De signaaltoon wordt sterker en luider tot de melding wordt bevestigd.
7.2.33 Resetten naar fabrieksinstel‐
lingen
Gebruik deze functie om alle instellingen terug te zetten naar de fabrieksinstellingen. Alle instellingen die u tot nu toe hebt gemaakt, worden gereset naar de oorspronkelijke instellingen.
| Melding (rood) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Deur open | De melding verschijnt, als de deur te lang geopend is. | Deur sluiten. Kort aanraken. Alarm wordt beëindigd. Aanwijzing De tijd, tot het bericht verschijnt, kan worden ingesteld. (zie 7.2.27 Deuralarm ) |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 42)
42 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 43
Bediening
| Melding (rood) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Temperatuuralarm | De melding verschijnt, als de temperatuur niet overeenkomt met de ingestelde temperatuur. Oorzaken voor temperatuurverschillen kunnen zijn: Er zijn warme levensmiddelen in het apparaat geplaatst. Bij het sorteren en uitnemen van levensmiddelen is teveel warme ruimtelucht binnen gestroomd. De stroom is gedurende langere tijd uitgevallen. | Kort aanraken. Informatie over fouten en de apparaatstatus worden weergegeven. Kort aanraken. Hoogste/laagste temperatuur, de datum en de tijd worden weergegeven. Kort aanraken. Statusbeeldscherm wordt weergegeven. De huidige temperatuur en het alarmsymbool knipperen rood tot de ingestelde temperatuur bereikt is. Kwaliteit van het koelgoed controleren. |
| Fout | Functie van het apparaat is beperkt, een onderdeel van het apparaat vertoont een fout of het apparaat is defect. | Kort aanraken. Foutcode (bijv. BT021) wordt weergegeven. Kort aanraken. Eventuele verdere foutcode wordt weergegeven. of Statusbeeldscherm met knipperend foutsymbool wordt weergegeven. Door vegen of tikken op het display wordt/ worden de foutcode(s) opnieuw weergegeven. Foutcode(s) noteren. Controleer of de fout op de lijst staat en of u de fout zelf kunt verhelpen. (zie 10.2 Technische storing) Fout staat niet op de lijst of bestaat nog steeds: Contact opnemen met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) Gekoelde producten ergens anders bewaren. |
| Melding geeft aan dat de vorstbeveiligingsmodus actief is (bijv. door veelvuldig openen van deuren of inladen van levensmiddelen). | Kort aanraken. FRZ.PROT wordt weergegeven. Kort aanraken. Statusbeeldscherm met knipperend foutsymbool wordt weergegeven. Door vegen of tikken op het display wordt de melding opnieuw weergegeven. Het apparaat schakelt na een paar uur automatisch over naar de normale bedrijfsmodus en de melding verdwijnt. U kunt de modus en het bericht ook annuleren door er lang op te tikken. Als het bericht herhaaldelijk wordt weergegeven en de genoemde oorzaken niet van toepassing zijn, neem dan contact op met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 43)
* afhankelijk van model en uitvoering 43
Pagina 44
Bediening
| Melding (rood) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Stroomuitval | De melding verschijnt na een onderbreking van de stroomvoorziening. De gebruikersinterface blijft werken in batterijmodus. Alle functies behalve koeling en verlichting blijven actief. | Kort aanraken. De oplaadtoestand van de batterij, informatie over fouten en de apparaatstatus worden weergegeven. Kort aanraken. De warmste temperatuur en de duur van de stroomonderbrekingen worden weergegeven. Kort aanraken. Statusbeeldscherm wordt weergegeven. De huidige temperatuur en het alarmsymbool knipperen rood tot de ingestelde temperatuur bereikt is. Kwaliteit van het koelgoed controleren. |
| WLAN-fout | WLAN-verbinding is onderbroken. | Verbinding controleren. Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
| WWW-fout WLAN | De melding verschijnt als er geen internetverbinding via WLAN is. | Verbinding controleren. Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
| LAN-fout | LAN-verbinding is onderbroken. | Verbinding en netwerkkabel controleren. Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
| WWW-fout LAN | De melding verschijnt als er geen internetverbinding via LAN is. | Verbinding controleren. Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
| Batterijfout | Laadtoestand van de apparaatbatterij laag (maximaal 20% resterend). | Netspanning naar het apparaat herstellen, en 12 uur later controleren of het laadniveau is toegenomen. Neem anders contact op met de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) of vervang de batterij. (zie 9.4 Batterij van apparaat vervangen) Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 44)
7.3.2 Herinneringen
Er verschijnen herinneringen bij oproepen om iets te doen.
Ze worden akoestisch door een signaaltoon en optisch door een symbool op het display weergegeven. Bevestigen van de melding door drukken op de bevestigingstoets.
| Melding (geel) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Onderhoudsherinnering | De melding verschijnt als de timer van het ingestelde onderhoudsinterval is afgelopen. | Kort tikken. Herinnering wordt beëindigd. Aanwijzing Het onderhoudsinterval kan worden ingesteld (zie 7.2.11 Herinnering onderhoudsinterval ) . |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 44)
44 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 45
Uitrusting
| Melding (geel) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Opnameherinnering | Het bericht verschijnt als het geheugen van de temperatuurregistratie (999 uur) vol is. | Kort tikken. Herinnering wordt beëindigd. De oudste gegevens worden overschreven. Aanwijzing De temperatuurregistratie kan worden gereset. (zie 7.2.4 Temperatuurregistratie ) |
| Alarmlogboek | De melding verschijnt, als er meer dan 10 onbevestigde alarmmeldingen zijn. | Kort tikken. Meldingen controleren. Herinnering wordt beëindigd. |
| Handmatig geopend | De melding verschijnt, als de elektronisch gesloten deur handmatig werd geopend. | Deur sluiten. Kort tikken. Herinnering wordt beëindigd. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 45)
8 Uitrusting
8.1 Veiligheidsslot
De apparaatdeur is voorzien van een elektronisch slot.
Toepassing:
- Met deurcode vergrendelen en ontgrendelen. (zie 7.2.6 Deurvergrendeling )
- Automatische vergrendeling activeren en deactiveren. (zie 7.2.6 Deurvergrendeling )
- Deur met afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen. (zie 7.2.10 Afstandsbediening )
- Deur wordt automatisch vergrendeld na een stroomstoring (kan niet worden uitgeschakeld).
8.1.1 Noodontgrendeling
U kunt bij stroomuitval de deur met de noodontgrendelingssleutel openen.
Fig. 221
- Noodontgrendelingssleutel Fig. 221 (1) tussen deur en apparaatcorpus insteken.
- Slothaak Fig. 221 (2) in de richting van het scharnier drukken.
▷ Het slot is ontgrendeld. U kunt de deur openen.
8.2 Afstandsbediening
Met de afstandsbediening kan het deurslot op afstand worden vergrendeld of ontgrendeld.
| Fig. 220 | Voor gebruik moet deze met het apparaat worden |
| ► Noodontgrendelingssleutel op de betreffende positie | verbonden. (zie 7.2.10 Afstandsbediening ) |
| positioneren. | De batterij kan worden vervangen. (zie 9.4 Batterij van apparaat vervangen) |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 45)
* afhankelijk van model en uitvoering 45
Pagina 46
Uitrusting
Fig. 222
- (1) Slot vergrendelen
- (2) Slot ontgrendelen
- (3) Statusled
- (4) Bevestigingsoog
8.2.1 Afstandsbediening gebruiken
- Toets Fig. 222 (1) op de afstandsbediening indrukken. ▷ Het slot is vergrendeld. De deur kan niet worden geopend.
- Toets Fig. 222 (2) op de afstandsbediening indrukken. ▷ Het slot is ontgrendeld. De deur kan worden geopend.
- Statusled Fig. 222 (3) geeft bij indrukken van een toets een optische terugmelding.
- Oog Fig. 222 (4) voor de bevestiging van de afstandsbediening, bijvoorbeeld aan een sleutelbos.
8.3 Sensoren
Het apparaat kan uitgerust zijn met de volgende sensoren voor temperatuurbewaking:
- Veiligheidsthermostaatsensor - C-sensor - P-sensor
8.3.1 Veiligheidsthermostaatsensor
De veiligheidsthermostaatsensor bewaakt de temperatuurdaling en beschermt zo tegen te lage temperaturen (Freeze Protect). Wanneer de temperatuur onder de drempel zakt, regelt het apparaat de temperatuur automatisch. De foutmelding FRZ. PROT (Freeze Protect) (zie 7.3 Meldingen) verschijnt.
Aanwijzing
Veiligheidsshermostaatsensor niet afdekken.
8.3.2 C-sensor (controlesensor)
De C-sensor is vast ingebouwd en regelt de binnentemperatuur van het apparaat. Indien nodig kunt u de C-sensor kalibreren. (zie 7.2.25 Sensorkalibratie )
8.3.3 P-sensor (referentiesensor)
De P-sensor is vast in het interieur ingebouwd en toont de producttemperatuur die de temperatuur van het koelproduct simuleert. De P-sensor-temperatuur wordt op de statusweergave als werkelijke temperatuur weergegeven en de ingestelde temperatuurgrenswaarden hebben hierop betrekking. De weergave van de P-sensor kan indien nodig worden gekalibreerd. (zie 7.2.25 Sensorkalibratie )
8.4 Sensor-info
Met deze functie kan worden gekozen tussen C-sensor of P-sensor.
Zorg ervoor dat aan de volgende vereiste is voldaan:
❑P-sensor is aangesloten op het apparaat. (zie 8.5 Interfaces)
8.4.1 C-sensor selecteren
Fig. 223
- Naar links of rechts vegen tot de benodigde functie wordt weergegeven.
Fig. 224
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ C-sensor is geselecteerd.
8.4.2 P-sensor selecteren
Fig. 225
- Naar links of rechts vegen tot de benodigde functie wordt weergegeven.
Fig. 226
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ P-sensor is geselecteerd.
46 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 47
8.5 Interfaces
Aan de achterkant van het apparaat bevinden zich verschillende aansluitmogelijkheden.
Onderhoud
- (2) COM (common) Externe spanningsbron
8.5.2 Aansluiting voor P-sensor
- (3) FORCE (voeding +)
Fig. 227
Aanwijzing
De stekkers zijn met schroeven vastgezet. Om de stekkers te kunnen lostrekken, schroeven rechts en links losdraaien.
Fig. 230
- (1) IN+ (meetleiding +)
- (2) IN- (gemeenschappelijke retourleiding -)
9 Onderhoud
9.1 Onderhoudsschema
Fig. 228
- (1) Potentiaalvrije alarmuitgang
- (2) Aansluiting voor P-sensor
8.5.1 Potentiaalvrije alarmuitgang
WAARSCHUWING
Letselgevaar door elektrische schok!
- Uitsluitend deskundig en daarvoor geschoold personeel mag het apparaat op een extern alarmsysteem aansluiten!
Deze drie contacten kunnen worden gebruikt voor aansluiting van een optisch of akoestisch alarmsysteem. De aansluiting is ontworpen voor maximaal 30 V (DC) - 8 A uit een bron met extra lage veiligheidsspanning SELV (minimumstroom 150 mA).
Fig. 229
- (1) NO (normally open) Aansluiting voor controlelampje dat bij normaal bedrijf of wanneer het apparaat is uitgeschakeld actief is.
- (3) NC (normally closed) Aansluiting voor alarmlampje of akoestisch alarm dat bij alarm of ontbrekende stroomvoorziening actief is.
Er moeten regelmatig onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd om de werking van het apparaat in stand te houden.
VOORZICHTIG
Gevaren voor letsel een beschadiging door ondeskundig uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden!
Lichamelijk letsel en materiële schade.
- Onderhoudswerkzaamheden mogen alleen door opgeleid en deskundig personeel worden uitgevoerd.
WAARSCHUWING
Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!
Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.
- Apparaat uitschakelen.
- Netstekker eruit trekken of zekering uitschakelen.
Aanwijzing
Er kan een herinneringsfunctie voor het onderhoud geactiveerd worden. (zie 7.2.11 Herinnering onderhoudsinterval )
Aanwijzing
Aanbevolen wordt een onderhoudslogboek aan te leggen waarin alle uitgevoerde werkzaamheden (reparaties, inspecties) worden gedocumenteerd.
Aanwijzing
Liebherr adviseert een jaarlijkse onderhoudsbeurt. Neem contact op met de klantenservice voor een individuele offerte (zie 10.4 Klantenservice) .
* afhankelijk van model en uitvoering 47
Pagina 48
Onderhoud
| Onderdeel | Activiteit | Onderhoudsinterval |
|---|---|---|
| Plaatstalen onderdelen | Op beschadigingen en corrosie controleren. Vervangen van beschadigde onderdelen: (zie 10.4 Klantenservice) | Jaarlijks |
| Deur, scharnieren | Op de uitlijning (zie 3.7 Deur uitlijnen) , soepele beweging en goed vastzitten controleren. | Jaarlijks |
| Slot, deurgreep* | Op gemakkelijke beweging en vastzitten controleren. | Jaarlijks |
| Deurafdichting | Op beschadiging, slijtage en vastzitten controleren. Er is een vervangende deurafdichting via de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) verkrijgbaar. | Jaarlijks |
| Sensor | Sensor kalibreren. (zie 7.2.25 Sensorkalibratie ) | Jaarlijks |
| Sensordoorvoer | Controleren of de afdichtingsmassa onbeschadigd is. | Jaarlijks |
| Batterij | Batterij van apparaat vervangen. Er is een vervangingsbatterij via de klantenservice verkrijgbaar. (zie 9.4 Batterij van apparaat vervangen) | 5 tot 10 jaar |
| Oppervlakken | Reinigen (zie 9.3 Apparaat reinigen) | Aanbeveling: maandelijks, indien nodig of volgens de eisen op de plaats van opstelling |
| Oppervlakken | Desinfecteren De volgende desinfectiemiddelen zijn getest voor gebruik op het apparaat: Dismozon pur 1 % Lösung (Bode Chemie), Suma Quicksan (Diversey), Incidin Extra N (Ecolab Healthcare), Acrylan (Antiseptica chem.-pharm. Produkte), Buraton 10 F (Schülke und Mayr), Frankocid N (Franken Chemie), Apesin DSR 50 (Tana), Nüscosept Spray (Dr. Nüsken), Melsept SF (B. Braun Melsungen), Kohrsolin (Bode Chemie), Neoquat S (Dr. Weigert), Indicin Rapid (Ecolab Healthcare), Bacillocid Spezial (Bode Chemie), Neoform K Spray (Dr. Weigert), Apesin Desinf. Spray (Tana), Nüscosept 100 (Dr. Nüsken), Antisept T (Fink Tec), Apesin AP 100 0,50% Lösung (Tana), Perform Pulver 2% Lösung (Schülke und Mayr) De gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht nemen. Als er andere dan genoemde desinfectiemiddelen worden gebruikt, moeten deze eerst op een onopvallende plaats worden getest. | Aanbeveling: maandelijks, indien nodig of volgens de eisen op de plaats van opstelling |
| Plaats van opstelling, apparaat | Decontamineren Het apparaat is geschikt voor de ruimtedecontami-natie met waterstofperoxide H2O2. De waarden van de volgende toepassingsspecificatie mogen niet overschreden worden: Maximale concentratie 250 ppm. Maximale vochtigheid 85 %. Maximaal toelaatbare ruimtetemperatuur volgens klimaatklasse. (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat) | Aanbeveling: indien nodig of volgens eisen op de plaats van opstelling, maximaal 2 keer per jaar |
| Ventilator ventilatoropening | Reinigen | Jaarlijks |
| Alarm doorsturen | Controleren of de stekkerverbindingen goed vastzitten. | Jaarlijks |
| Sensor | Stekkerverbindingen op goede bevestiging controleren. | Jaarlijks |
| Netkabel | Op beschadiging controleren. | Jaarlijks of Bij locatieverandering |
| Stelpoten/wieltjes | Op werking, beschadiging en goede bevestiging controleren. Beschadigde onderdelen vervangen. (zie 10.4 Klantenservice) | Jaarlijks |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 48)
48 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 49
Onderhoud
9.2 Apparaat ontdooien
WAARSCHUWING
Apparaat op de verkeerde manier ontdooid!
Verwondingen en beschadigingen.
- Om het ontdooiproces te versnellen, geen mechanische hulpmiddelen of andere middelen gebruiken die niet door de fabrikant worden aanbevolen.
- Gebruik voor het ontdooien geen elektrische verwarmings- of stoomreinigingsapparaten, open vuur of ontdooisprays.
- IJs niet met scherpe voorwerpen verwijderen.
Het ontdooien gebeurt automatisch. Het dooiwater wordt via de afvoeropening afgevoerd en verdampt.
Om de functionaliteit van het apparaat te behouden, raden we aan het te ontdooien als er veel ijsvorming is. Voor ijsvorming in de binnenruimte zijn de plaats van opstelling (bijv. een hoge luchtvochtigheid), instellingen op het apparaat en verkeerd gebruikersgedrag bepalend.
Als de automatische ontdooicyclus niet voldoende is:
- Automatisch ontdooien handmatig starten. (zie 7.2.23 Ontdooien )
Als het probleem blijft bestaan, moet het apparaat handmatig worden ontdooid:
- Apparaat uitschakelen. (zie 7.2.2 Apparaat in- en uitschakelen )
- Netstekker loskoppelen.
- Koelgoed verplaatsen.
- Apparaatdeur tijdens ontdooien open laten.
- Resterend condenswater met een doek opnemen, afvoeropening en het apparaat reinigen.
9.3 Apparaat reinigen
9.3.1 Voorbereiden
WAARSCHUWING
Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!
Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.
- Apparaat uitschakelen.
- Netstekker eruit trekken of zekering uitschakelen.
WAARSCHUWING
Brandgevaar
- De buisleidingen van het koelmiddelcircuit niet beschadigen.
- Apparaat leegmaken.
- Netstekker eruit halen.
- Aanwijzingen voor het transport van het apparaat in acht nemen.
9.3.2 Behuizing reinigen
LET OP
Ondeskundige reiniging!
Beschadigingen aan het apparaat.
- Uitsluitend zachte poetsdoekjes en een ph-neutrale allesreiniger gebruiker.
- Gebruik geen schurende of krassende sponzen of staalwol.
- Gebruik geen scherpe, schurende, zand-, chloor- of zuurhoudende schoonmaakmiddelen.
WAARSCHUWING
Gevaar voor verwonding en beschadiging door hete stoom! Hete stoom kan brandwonden veroorzaken en de oppervlakken beschadigen.
- Gebruik geen stoomreinigers!
LET OP
Beschadigingsgevaar door kortsluiting!
- Bij het reinigen van het apparaat voorkomen dat reinigingswater in de elektrische componenten dringt.
- Behuizing met een zachte, schone doek schoonvegen. Bij sterke vervuiling lauwwarm water met neutraal reinigingsmiddel gebruiken. Glazen oppervlakken kunnen ook met een glasreinigingsmiddel worden gereinigd.
- Condensorspiraal jaarlijks reinigen. Als de condensorspiraal niet wordt gereinigd, leidt dit tot een aanzienlijke reductie van de efficiëntie van het apparaat.
9.3.3 Binnenruimte reinigen
WAARSCHUWING
Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!
Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.
- Apparaat uitschakelen.
- Netstekker eruit trekken of zekering uitschakelen.
WAARSCHUWING
Gevaar voor verwonding en beschadiging door hete stoom! Hete stoom kan brandwonden veroorzaken en de oppervlakken beschadigen.
- Gebruik geen stoomreinigers!
LET OP
Ondeskundige reiniging!
Beschadigingen aan het apparaat.
- Uitsluitend zachte poetsdoekjes en een ph-neutrale allesreiniger gebruiker.
- Gebruik geen schurende of krassende sponzen of staalwol.
- Gebruik geen scherpe, schurende, zand-, chloor- of zuurhoudende schoonmaakmiddelen.
Aanwijzing
- Condensafvoer (zie 2.2 Apparaat- en uitrustingsoverzicht) : Afzettingen met een dun hulpmiddel (bijvoorbeeld wattenstaafjes) verwijderen.
Aanwijzing
Typeplaatje aan binnenzijde van apparaat niet beschadigen of verwijderen. Typeplaatje is belangrijk voor de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice)
- Deur openen.
- Apparaat leegmaken.
- Binnenruimte en uitrustingsdelen met lauwwarm water en een beetje afwasmiddel reinigen. Geen zand- of zuurhoudende reinigingsmiddelen en geen chemische oplosmiddelen gebruiken.
9.3.4 Na het reinigen
- Apparaat en uitrustingsdelen droogwrijven.
- Apparaat aansluiten en inschakelen.
Als de temperatuur voldoende koud is:
- Koelgoed erin leggen.
- Reiniging regelmatig herhalen.
* afhankelijk van model en uitvoering 49
Pagina 50
Klantenhulp
- Koelmachine met warmtewisselaar een keer per jaar reinigen en ontstoffen.
9.4 Batterij van apparaat vervangen
De batterij van het apparaat zorgt ervoor de temperatuurgeschiedenis en de alarm- en serviceberichten ook na een stroomstoring opgeslagen worden en de alarmberichten nog ongeveer 12 uur op het display weergegeven worden. Bij de eerste inbedrijfstelling kan het tot 24 uur duren tot de batterij opgeladen en volledig functioneel is.
Er is een vervangingsbatterij via de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) verkrijgbaar.
9.4.1 Batterij vervangen
WAARSCHUWING
Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!
Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.
- Apparaat uitschakelen.
- Netstekker eruit trekken of zekering uitschakelen.
Fig. 231
- Draai de schroeven los en verwijder de afdekking aan de achterkant van het apparaat Fig. 231 (1).
- Maak de batterij los en verwijder deze Fig. 231 (2).
- Vervangingsbatterij inbouwen.
- Netsnoer weer aansluiten.
Aanwijzing
- De batterij moet worden opgestuurd voor gescheiden afvalverwerking en op de juiste wijze en professioneel worden afgevoerd in overeenstemming met de plaatselijk geldende voorschriften en wetten. Batterij in geen geval beschadigen of kortsluiten!
9.5 Batterij van de afstandsbediening vervangen
Fig. 232
De stroomvoorziening van de afstandsbediening vindt plaats via een batterij van het type CR 2032 met 3V Fig. 232 (2) die verkrijgbaar is bij de gespecialiseerde handel.
9.5.1 Batterij vervangen
- Schroef Fig. 232 (1) aan achterzijde van de afstandsbediening eruit draaien.
- Achterzijde verwijderen.
▷ Batterijvak is open.
- Batterij vervangen.
- Batterijvak sluiten.
- Schroef erin draaien.
Aanwijzing
- De batterij moet worden opgestuurd voor gescheiden afvalverwerking en op de juiste wijze en professioneel worden afgevoerd in overeenstemming met de plaatselijk geldende voorschriften en wetten. Batterij in geen geval beschadigen of kortsluiten!
10 Klantenhulp
10.1 Technische gegevens
Temperatuurbereik
Koelen +5 °C
| Maximale belading per steunvlak A) | |||
|---|---|---|---|
| Apparaatbreedte | 550 mm | 600 mm | 750 mm |
| Oplegroosters | -- | 45 kg | 60 kg |
| Glasplaat | 40 kg | 40 kg | 40 kg |
| Schuiflade (vriesapparatuur) | 15 kg | 15 kg | 15 kg |
| Apothekerslade | 25 kg | 25 kg | |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 50)
50 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 51
Klantenhulp
| A) Bij zware belading kunnen de steunen iets doorbuigen. | |
| Opstelvoorwaarden Omgevingstemperatuur +10 °C tot +35 °C Maximale relatieve luchtvochtig‐ 75%, niet-condenserend heid van de omgeving Maximale hoogte werkingspositie 2000 m (m boven zeeniveau) 1500 m (glazen deur)* Elektrische waarden Nominale spanning 220-240 V ~ Frequentie 50/60 Hz Aansluitwaarde 2,0 A Maximale netschommelingen +/-10 % Overspanningscategorie II Apparaatbatterij Type 1S2P/NCR 18650BF Nominale spanning 3,6 V DC Capaciteit 6,7 Ah | |
| Maximale totale lading en nettogewicht | |
| Model (zie 3.2 Afmetingen Maximale Nettogewicht apparaat) totale lading | |
| HMTvh 1501 75 kg 34 kg HMTvh 1511 45 kg | |
| Netto-inhoud | |
| Zie de nuttige inhoud op het typeplaatje. (zie 2.2 Apparaat- en uitrustingsoverzicht) | |
| Verlichting | |
| Energie-efficiëntieklasse A) Lichtbron | |
| Dit product bevat een of meerdere lichtbronnen Led van energie-efficiëntieklasse G | |
| A) Dit product kan lichtbronnen met verschillende energie-efficiëntieklassen bevatten. De laagste energie-efficiëntieklasse is aangegeven. | |
| Specificatie WLAN-frequentie | |
| Frequentieband 2,4 GHz | |
| Maximum uitgestraald <100 mW vermogen Beoogd gebruik van de Integratie in het plaatselijke radioapparatuur WLAN-netwerk voor gegevenscommunicatie Opstelvoorwaarden Mate van vervuiling (omgeving PD2 van het apparaat) | 10.2 Technische storing Uw apparaat is zodanig geconstrueerd en gemaakt dat functieveiligheid en lange levensduur gegarandeerd zijn. Als er tijdens de werking een storing optreedt, controleer dan of de storing werd veroorzaakt door een bedieningsfout. In dat geval moeten ook de tijdens de garantieperiode gemaakte kosten aan u worden doorberekend. De volgende storingen kunt u zelf verhelpen. 10.2.1 Apparaatfunctie |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 51)
| Probleem | Oorzaak | Oplossing | |
|---|---|---|---|
| Het apparaat werkt niet. | Het apparaat is niet ingeschakeld. | ► Apparaat inschakelen. | |
| De netstekker steekt niet correct in het stopcontact. | ► Netstekker controleren. | ||
| De zekering van het stopcontact is niet in orde. | ► Zekering controleren. | ||
| Stroomuitval | ► Apparaat gesloten houden. ► De deur kan worden geopend met de noodontgrendelingssleutel. (zie 8.1 Veiligheidsslot) ► Indien nodig de koel-/vrieswaren in een decentrale koel-/vrieskast bewaren, als de stroom langdurig uitvalt. | ||
| De koelapparaatbus steekt niet correct in het apparaat. | ► Koelapparaatbus controleren. | ||
| Temperatuur is te laag. | De apparaatdeur is niet correct aangesloten. | ► Apparaatdeur sluiten. | |
| De be- en ontluchting is onvoldoende. | ► Ventilatieroosters vrijmaken en reinigen. | ||
| De omgevingstemperatuur is te hoog. | ► Let op de juiste omgevingsvoorwaarden: (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat) | ||
| Het apparaat werd te vaak of te lang geopend. | ► Afwachten of de noodzakelijke temperatuur vanzelf weer wordt ingesteld. Als dit niet gebeurt, dan contact opnemen met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) | ||
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 51)
* afhankelijk van model en uitvoering 51
Pagina 52
Klantenhulp
| Probleem | Oorzaak | Oplossing | |
|---|---|---|---|
| De temperatuur is verkeerd ingesteld. | ► Temperatuur lager instellen en na 24 uur controleren. | ||
| Het apparaat staat te dicht bij een warmtebron (fornuis, verwarming etc.). | ► Opstelplaats van het apparaat of de warmtebron veranderen. | ||
| Afstandsbediening functioneert niet. | Batterij van de afstandsbediening is leeg. | ► Batterij vervangen. | |
| Radioverbinding met het apparaat te zwak. | ► Afstand tot het apparaat verkleinen. | ||
| Afstandsbediening niet gekoppeld. | ► Afstandsbediening opnieuw koppelen: (zie 7.2.10 Afstandsbediening ) | ||
| Afstandsbediening is defect. | ► Contact opnemen met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) | ||
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 52)
10.3 Gegevensregistratie
Als u op uw apparaat een gegevensback-up op een USBstick hebt uitgevoerd (zie 7.2.24 Downloaden van gegevens (gegevensback-up) ) , kunt u de opgeslagen tekstbestanden analyseren.
Na de gegevensback-up worden de volgende bestanden op de USB-stick opgeslagen:
| Event_Log_*.log | Gebeurtenissenlogboek |
|---|---|
| Temperature_Log_*.log | Temperatuurverloopbestand |
| Service_Info.log | Dit bestand is alleen bedoeld voor klantenservice. |
| Download_Info.txt | Dit bestand bevat informatie over het apparaat en de controlesom van de gedownloade bestanden. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 52)
De bestanden Event_Log_*.log en Temperature_Log_*.log worden na het bereiken van een gedefinieerde bestandsgrootte (000, 001, 002, enz.) opeenvolgend genummerd.
Logfile Event_Log_*.log en Temperature_Log_*.log:
Fig. 233 Voorbeeldweergave
- (1) Opeenvolgende (3) Gegevensvelden nummering
- (2) Datum en tijd (UTC)
De individuele waarden worden gescheiden door puntkomma's (;).
Gegevensvelden Event_Log_*.log:
Event Id; Additional Data (zie 10.3.1 Gebeurtenissenlogboek → Event_Log_*.log)
Gegevensvelden Temperature_Log_*.log: Control Sensor Zone 0; Product Sensor Zone 0; Safety-Device Sensor Zone 0; Evaporator Zone 0; Control Sensor Zone 1; Evaporator Zone 1; Ambient (zie 10.3.2 Temperatuurverloopbestand → Tempera-ture_Log_*.log)
10.3.1 Gebeurtenissenlogboek → Event_Log_*.log
10.3.1 A
| Event Id | Additional Data | ||
|---|---|---|---|
| A = Alarm | 0 = Het deuralarm waarschuwt de gebruiker als deze de deur te lang opent of vergeet te sluiten. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 6 = Het apparaat controleert cyclisch of alle sensoren goed werken. Als dit niet het geval is, worden de noodmodus en het alarm geactiveerd. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 12 = Het alarm voor stroomuitval waarschuwt de gebruiker na een stroomuitval dat het apparaat te warm is geworden tijdens de stroomuitval. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 52)
52 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 53
Klantenhulp
| Event Id | Additional Data | ||
|---|---|---|---|
| A = Alarm | 13 = Het alarm voor stroomuitval waarschuwt de gebruiker na een stroomuitval dat het apparaat te koud is geworden tijdens de stroomuitval. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 45 = Het temperatuuralarm wordt geactiveerd wanneer de weergegeven temperatuur gedurende de geconfigureerde tijd het bovenste temperatuurbereik verlaat. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 48 = Het temperatuuralarm wordt geactiveerd wanneer de weergegeven temperatuur gedurende de geconfigureerde tijd het onderste temperatuurbereik verlaat. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 54 = Het apparaatstoringsalarm wordt actief als een elektronisch component (sensor of actuator met terugkoppeling) een storing heeft en de apparaatstoringsfunctionaliteit is geconfigureerd. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 127 = De waarschuwing wordt actief wanneer de datalogger een stroomstoring in het lokale 13 V-systeem detecteert. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| 10.3.1 B | |||
| Event Id | Additional Data | ||
| B = Fout in datalogger I = Info Interne gebeurtenisloggegevens voor de klantenservice. W = Warning E = Error R = Reset A = Assert | |||
| 10.3.1 C | |||
| Event Id | Additional Data | ||
| C = Compressor 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. 0 = Uit 1 = Aan | |||
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)
10.3.1 DF
| Event Id | Additional Data | |
|---|---|---|
| DF = Ontdooien | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)
10.3.1 DL
| Event Id | Additional Data | |
|---|---|---|
| DL = Deurvergrendeling | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Ontgrendeld 1 = Vergrendeld 2 = Noodopening |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)
10.3.1 DR
| Event Id | Additional Data | |
|---|---|---|
| DR = Deur | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Gesloten 1 = Geopend |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)
| 10.3.1 R | ||
|---|---|---|
| Event Id | Additional Data | |
| R = Status relais | 0 = Alarmrelais 1 = Veiligheidsrelais | 0 = Gesloten 1 = Geopend |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)
* afhankelijk van model en uitvoering 53
Pagina 54
Klantenhulp
| 10.3.1 S | ||||
|---|---|---|---|---|
| Event Id | Additional Data | |||
| S = Instelling wijzigingen | 0 = Status van een zone is gewijzigd. | 0 = Zone 0 is uitgeschakeld. 1 = Zone 0 is ingeschakeld. 3 = Zone 0 is niet beschikbaar. | 0 = Zone 1 is uitgeschakeld. 1 = Zone 1 is ingeschakeld. 3 = Zone 1 is niet beschikbaar. | 0 = Zone 2 is uitgeschakeld. 1 = Zone 2 is ingeschakeld. 3 = Zone 2 is niet beschikbaar. |
| S = Instelling wijzigingen | 1 = Tijd en datum wijziging | Ingestelde tijdwaarde in ISO-formaat, bijv. 2020-05-20T17:02:00 | ||
| S = Instelling wijzigingen | 2 = Wachtwoord | 1 = Smart-Lock-code 2 = Display-sperre-Code | 0 = Interne parameter | |
| S = Instelling wijzigingen | 3 = Softwareversie | 1 = User Interface 127 = Powerboard | 0 tot 255 = Major Version | 0 tot 0 tot 255 = Patch 255 = Minor Version Version |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 54)
| S = Instelling wijzigingen | 4 = Grenswaarde temperatuuralarm | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmMinAbsolute: Als de temperatuur boven deze waarde ligt, wordt de displaytemperatuur afgerond naar de insteltemperatuur. | -255 bis 255 = De nieuwe grenswaarden temperatuuralarm. |
| 1 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmMinRelativ: Als de temperatuur boven de insteltemperatuur minus deze waarde is, wordt de displaytemperatuur ingesteld op de insteltemperatuur. | ||||
| 2 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmMaxAbsolute: Als de temperatuur onder deze waarde ligt, wordt de displaytemperatuur afgerond naar de insteltemperatuur. | ||||
| 3 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmMaxRelativ: Als de temperatuur onder de insteltemperatuur plus deze waarde ligt, wordt de displaytemperatuur ingesteld op de insteltemperatuur. 4 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmDelayUpperTemperature: Na deze tijd wordt het temperatuuralarm geactiveerd als de displaytemperatuur warmer is dan de afrondingswaarde. 5 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmDelayLowerTemperature: Na deze tijd wordt het temperatuuralarm geactiveerd als de displaytemperatuur kouder is dan de afrondingswaarde. 6 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmRepeat: Na deze tijd wordt het temperatuuralarm weer actief nadat het geannuleerd is. Als de waarde op 0 wordt ingesteld, wordt de functie uitgeschakeld. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 54)
54 * afhankelijk van model en uitvoering