ATAG HIDD8472LV, tekst van de handleiding
Pagina's 9–29 van 116 · inhoud en begin van de handleiding · pdf
Pagina 9
Bediening
4.6 Servies voor inductiekookplaat 4.7 Tips om energie te besparen
De pannen die voor de inductiekookplaat worden Hier vindt u enkele belangrijke aanwijzingen om zuinig gebruikt, moeten van metaal zijn, magnetische en efficiënt met uw nieuwe inductiekookplaat en uw eigenschappen bezitten en een voldoende grote bodem kookgerei om te gaan.
hebben. • De panbodemdiameter moet even groot zijn als de Gebruik uitsluitend pannen met een bodem die voor kookzonediameter.
inductie geschikt is. • Bij de aankoop van pannen dient u er rekening mee te houden dat vaak de bovenste pandiameter wordt vermeld. Die is meestal groter dan de panbodem.
- Snelkookpannen zijn door de gesloten kookruimte en de overdruk bijzonder tijdbesparend en zuinig. Door de korte bereidingsduur blijven vitamines bewaard.
- Zorg er altijd voor, dat er voldoende vloeistof in de
| Geschikte pannen | Ongeschikte pannen |
|---|---|
| Geëmailleerde stalen pannen met dikke bodem Gietijzeren pannen met geëmailleerde bodem | Pannen van koper, roestvrij staal, aluminium, vuurvast glas, hout, keramiek of terracotta |
| Pannen van roestvrij gelaagd staal, roestvrij ferrietstaal of aluminium met speciale bodem |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 9)
snelkookpan zit, want bij een leeggekookte pan kunnen de kookzone en de pan door oververhitting beschadigd raken.
- Kookpannen indien mogelijk altijd met een passend deksel sluiten.
- Voor elke te bereiden hoeveelheid de passende Zo kunt u vaststellen of uw pan geschikt is: pan gebruiken. Een grote, nauwelijks gevulde pan Voer de hierna beschreven magneettest uit of kijk of verbruikt veel energie.
de pan het symbool voor het koken met inductiestroom draagt. 4.8 Kookstanden
Magneettest:
Ga met een magneet over van uw pan. Wordt de aangetrokken, dan kunt u inductiekookplaat gebruiken.
Opmerking:
Bij het gebruik van sommige voor inductie, kunnen geluiden
| Het verwarmingsvermogen meerdere standen de bodem toepassingsvoorbeelden magneet | van de kookzones kan in worden ingesteld. In de tabel vindt u voor de verschillende standen. | ||
| de pan op de | Kookstand | Toepassing | |
| 0 | UIT-stand, benutting van de restwarmte | ||
| pannen die geschikt zijn optreden, die te wijten zijn pannen. gewelfd. De temperatuur kan door | 1-2 3 4-5 6 7-8 9 P | Smelten 42°C Warm houden 70°C Sudderen 94°C Verder koken van kleine hoeveelheden Doorkoken Gaar koken van grote hoeveelheden, gaar braden van grote stukken Braden, bechamelsaus maken Braden Aan de kook brengen, aanbraden, braden Powerstand (hoogste vermogen) | |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 9)
aan de bouwwijze van deze
Fout: de panbodem is de elektronica niet correct worden bepaald. Bij kookpannen zonder deksel moet ev. een hogere kookstand worden gekozen.
4.9 Restwarmteweergave
De keramische kookplaat is met een restwarmteweergave H uitgerust. Zolang de H na het uitschakelen brandt, kan de restwarmte worden gebruikt om te smelten en om gerechten warm te houden.
LET OP
Na het uitdoven van de letter H kan de kookzone nog heet zijn. Er bestaat gevaar voor verbranding!
Bij een inductiekookzone wordt de keramiek niet direct, maar alleen door de terugstralende warmte van de pan verwarmd.
Pagina 10
geschikt voor inductie
Bediening
Zo de
| 4.10 Bediening | van de toetsen | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bij onderstaand vervolgtoest binnen niet, dan vervalt | beschreven bediening dient men 10 seconden te worden geactiveerd. de keuze. | de | ||||||
| 4.11 De inductie | kookplaat en kookzone | inschakelen | ||||||
| 1. Zolang op de kookstandweergaven horen is. De 2. Meteen daarna | Aan/Uit-toets drukken (ca. 0 aantonen en een kort besturing is klaar voor gebruik. het sensorveld van | 1 sec.) tot signaal te | ||||||
| een kookzone | aanraken. Er wordt een kookstand | |||||||
| ingeschakeld. | .......links | Kookstand 0 | ||||||
| .......centrum | Kookstand 6 | |||||||
| .......rechts | Kookstand P* | |||||||
| Zie hoofdstuk (sensorveld)Om een andere bijbehorende 3. Meteen de kookzone | daarna | Wat u moet weten over de slider de kookstand te veranderen of om kookzone in te schakelen moet u het sensorveld aanraken. voor inductie geschikt kookgerei op plaatsen. De panherkenning schakelt de | ||||||
| inductiespoel Zolang | geen | in. De pan wordt verwarmd. pan op de kookzone wordt geplaatst, | ||||||
| wisselt de aanwijzing en het symbool veiligheidsredenen | tussen de ingestelde kookstand . Zonder pan wordt de kookzone om na 10 minuten uitgeschakeld. Meer | |||||||
| hierover | in het | hoofdstuk „panherkenning”. | ||||||
| 4.12 Kookzone | uitschakelen | |||||||
| 4. a) Het | sensorveld | uiterst links | aanraken | of | ||||
| b) de naar c) op kookzones | op het links verschuiven de Aan/Uit-toets | sensorveld geplaatste om de kookstand drukken. De worden uitgeschakeld. | op bijbehorende | vinger 0 te verlagen | ||||
| 4.13 Kookplaat | uitschakelen | |||||||
| 5. Op de onafhankelijk | Aan/Uit-toets | drukken. De van de instelling volledig | kookplaat uitgeschakeld. | wordt | ||||
| OPMERKING | ||||||||
| Als alle kookzones handmatig worden uitgeschakeld (kookstand 0) en vervolgens op geen enkele toets of sensorveld meer wordt gedrukt, wordt de kookplaat na 10 seconden automatisch uitgeschakeld. | ||||||||
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 10)
* De powerstand wordt meteen geactiveerd. Zie alinea „Powerstand”.
Pagina 11
Bediening
4.14 Pauze-functie
Het koken kan tijdelijk met de Pauze-toets worden onderbroken, bijv. als er aan de deur wordt gebeld. Om het koken met dezelfde kookstanden voort te zetten, moet de STOP-functie worden beëindigd. Een evt. ingestelde timer wordt gestopt en loopt daarna verder. Om veiligheidsredenen is deze functie slechts 10 minuten beschikbaar. Daarna wordt de kookplaat uitgeschakeld.
- 1. Het kookgerei staat op de kookzones en de gewenste kookstanden zijn ingesteld.
- 2. Op de Pauze-toets drukken. In plaats van de gekozen kookstanden gaat het pauzesymbool aan.
- 3. De onderbreking wordt beëindigd door eerst op de Pauze-toets en daarna op het knipperend sensorveld links naast de Pauze-toets te drukken.
Bij het aanraken van het sensorveld over het hele sensorveld glijden (sliden).
De tweede toets moet binnen 10 seconden worden aangeraakt, anders blijft de Pauze-functie actief.
4.15 Recall-functie (Herstelfunctie)
Na het per ongeluk uitschakelen van de kookplaat kan de laatste instelling weer worden hernomen.
De recall-functie functioneert alleen als er ten minste één kookzone is ingeschakeld.
- 1. De kookplaat werd per ongeluk met de Aan/Uit-toets uitgeschakeld.
- 2. Binnen 6 seconden na het uitschakelen, opnieuw op de Aan/Uit-toets drukken. De led van de Pauzetoets knippert. Meteen daarna op de Pauze-toets drukken.
De oorspronkelijke kookstanden zijn weer ingesteld. Het kookproces wordt voortgezet.
Hersteld worden:
- de kookstanden van alle kookzones
- minuten en seconden van voor welbepaalde kookzones geprogrammeerde timers
- aankookautomaat
- powerstand
Niet hersteld worden:
- De tellers van de gebruiksduurbeperking (er wordt weer vanaf 0 geteld)
Pagina 12
Bediening NL
4.16 Kinderbeveiliging
De kinderbeveiliging moet verhinderen dat kinderen de inductiekookplaat per ongeluk of opzettelijk inschakelen. Hiervoor wordt de bediening geblokkeerd.
Kinderbeveiliging inschakelen
- 1. De Aan/Uit-toets kookplaat indrukken (ca. 1 sec.) om de complete kookplaat in te schakelen.
- 2. Meteen daarna gelijktijdig op de Vergrendeltoets en de Pauze-toets drukken
- 3. Vervolgens op de Vergrendeltoets drukken om de kinderbeveiliging te activeren. In de kookstandweergaven verschijnt een L voor Child-Lock; de bediening is geblokkeerd en de kookplaat wordt uitgeschakeld.
en
Kinderbeveiliging uitschakelen
- 4. Op de Aan/Uit-toets drukken.
- 5. Meteen daarna gelijktijdig op de Vergrendeltoets de Pauze-toets drukken
- 6. Vervolgens op de Pauze-toets drukken om de kinderbeveiliging uit te schakelen. De L verdwijnt.
Kinderbeveiliging slechts voor één kookproces uitschakelen
Voorwaarde: de kinderbeveiliging is volgens punt 1-3 ingeschakeld.
- Op de Aan/Uit-toets drukken.
- Meteen daarna gelijktijdig op de Vergrendeltoets en de Pauze -toets drukken
Nu kan door de gebruiker een kookzone ingeschakeld worden.
Na het uitschakelen van de kookplaat is de kinderbeveiliging weer actief (ingeschakeld).
Opmerkingen
- Bij een stroomstoring wordt de ingeschakelde d.w.z. gedeactiveerd. kookzone kunnen voor worden (bridge functie). worden gebruikt. inschakelen.
te schakelen, dient het de voorste en achterste
| kinderbeveiliging beëindigd, | |
| 4.17 Bridge functie De voorste en de achterste het koken aaneengeschakeld Daardoor kunnen grote pannen 1. De inductie kookplaat 2. Om de bridge functie in sensorveld. van kookzone gelijktijdig De bridge functie is verschijnt. De bediening sensorveld van 3. Om de combinatie te sensorvelden | |
| inductie kookplaat | |
| Opmerking De braadslede of de pan moet ten minste voor de helft | |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 12)
aanraken.
ingeschakeld, het symbool hiervan, is met het de voorste kookzone. desactiveren opnieuw op beide tegelijk drukken of de uitschakelen.
de gebruikte kookzones bedekken om door de panherkenning te worden herkend!
Pagina 13
Bediening
4.18 Automatische uitschakeling (timer)
Door de automatische uitschakeling wordt elke ingeschakelde kookzone na een instelbare tijd automatisch uitgeschakeld. Er kunnen kooktijden van10 sec. (0.10) tot 1 uur en 59 minuten (1.59) worden ingesteld.
- 1. De inductie kookplaat inschakelen. Een of meer kookzones inschakelen en gewenste kookstanden kiezen.
- 2. Gelijktijdig op de plus- en min-toets drukken tot het symbool voor de gewenste kookzone oplicht.
- 3. Om de tijd in te stellen op de plus- of min-toets drukken. Na enkele seconden wordt de waarde overgenomen en de tijd begint te lopen. Het decimale punt knippert.
- 4. Na afloop van de tijd wordt de kookzone uitgeschakeld. Er is een tijd lang een signaal te horen, dat kan worden uitgeschakeld door op de plus- en min-toets te drukken. Opmerkingen
- Om de automatische uitschakeling voor een andere kookzone te programmeren, de stappen 2 tot 3 herhalen.
- Ter controle van de verstreken tijd (automatische uitschakeling) zo vaak tegelijkertijd op de plus- en mintoets drukken tot het overeenkomstige symbool voor de gewenste kookzone oplicht. De aangetoonde waarde kan afgelezen en veranderd worden.
- Automatische uitschakeling vervroegd wissen: door gelijktijdig op de plus- en min-toets te drukken de gewenste kookzone selecteren en de tijd door drukken op de min-toets wissen („0”).
- Als meerdere kookzones met automatische uitschakeling geprogrammeerd zijn, wordt in de timer-weergave steeds de kookzone met de kortste tijd aangetoond.
4.19 Kookwekker (eierwekker)
De kookzones zijn uitgeschakeld
- 1. De inductie kookplaat inschakelen.
- 2. Gelijktijdig op de plus- en min-toets drukken tot onder de timer-aanwijzing het symbool oplicht.
- 3. Om de tijd in te stellen op de plus- of min-toets drukken. Na enkele seconden wordt de waarde overgenomen en de tijd begint te lopen. Het decimale punt knippert.
- 4. Na afloop van de tijd is er een tijd lang een signaal te horen, dat kan worden uitgeschakeld door op de plus of min-toets of te drukken
Kookwekkerinstelling als er al kookzones in gebruik zijn
- Gelijktijdig op de plus- en min-toets drukken tot onder de timer-aanwijzing het symbool oplicht.
- Om de tijd in te stellen op de plus- of min-toets drukken.
- Na afloop van de tijd is er een tijd lang een signaal te horen, dat kan worden uitgeschakeld door op de plus of min-toets of te drukken.
OPMERKING
De kookwekker blijft ook dan in werking als de linker of rechter kookplaatzijde uitgeschakeld is. Om de tijd te wijzigen de linker of rechter kookplaatzijde inschakelen.
Pagina 14
Bediening NL
4.20 Automatisch aankoken
Bij de aankookautomaat gebeurt het aan de kook brengen met kookstand 9. Na een bepaalde tijd wordt automatisch naar een lagere doorkookstand (1 tot 8) teruggeschakeld.
Bij het gebruik van het automatisch aankoken moet alleen de doorkookstand worden gekozen waarmee de bereiding verder moet worden gekookt, omdat de elektronica automatisch terugschakelt.
Het automatisch aankoken is geschikt voor gerechten die koud worden opgezet, op hoog vermogen worden verwarmd en op de doorkookstand niet permanent in het oog moeten worden gehouden (bijv. het koken van soepvlees).
| 1. De inductie kookplaat lang drukken (ca. 3 sec.) 2. Lang (ca. 3 sec.) | inschakelen. op het sensorveld | ||||||
| drukken om | de functie | te activeren en meteen een | |||||
| bepaalde doorkookstand ......... ......... ......... A en de gekozen | te kiezen links ............kookstand 1 centrum ......kookstand 6 rechts .........kookstand 8 doorkookstand knipperen | ||||||
| Ingestelde Kookstand | Aankookautomaat Tijd (min:sec) | afwisselend. 3. Het automatisch programmering. | aankoken verloopt volgens de Na een bepaalde tijd (zie tabel) | wordt | |||
| 1 2 | 00:40 01:12 | het kookproces symbool A dooft | op | de doorkookstand voortgezet. uit. | Het | ||
| 3 4 | 02:00 02:56 | ||||||
| 5 | 04:16 | ||||||
| 6 7 | 07:12 02:00 | OPMERKING | |||||
| Tijdens het automatisch | aankoken kan de | ||||||
| 8 9 | 03:12 - | doorkookstand verhoogd worden. Door de doorkookstand te verlagen wordt het automatisch | |||||
| aankoken uitgeschakeld. | |||||||
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 14)
4.21 Warmhoudfunctie
Met de warmhoudfunctie kunnen gerechten die klaar zijn op een kookzone warm gehouden worden. De kookzone verbruikt een laag vermogen in deze stand.
- 1. Kookgerei staat op een kookzone en een kookstand (bijv. 3) is gekozen.
- 2. Door meermaals drukken op de warmhoudtoets de gewenste warmhoudstand kiezen:
...........komt overeen met ca. 42°C
..........komt overeen met ca. 70°C
..........komt overeen met ca. 94°C
- 3. Om uit te schakelen het sensorveld links aanraken of op de warmhoudtoets drukken.
De warmhoudfunctie staat 120 minuten ter beschikking, daarna wordt de kookzone uitgeschakeld.
Pagina 15
Bediening NL
4.22 Vergrendeling
Door de vergrendeling kunnen de bediening van de toetsen en de instelling van een kookstand worden geblokkeerd. Alleen de Aan/Uit-toets kan nog altijd worden bediend om de inductie kookplaat uit te schakelen.
Vergrendeling inschakelen
- 1. Op de vergrendeltoets drukken. Het controlelampje boven de vergrendeltoets brandt.
Vergrendeling uitschakelen
- 2. Op de vergrendeltoets drukken. Het controlelampje boven de vergrendeltoets dooft uit.
OPMERKING
De geactiveerde vergrendeling blijft ook behouden als de inductie kookplaat uitgeschakeld is! Vooraleer weer kan worden gekookt, moet ze daarom eerst gedeactiveerd worden!
Bij een stroomstoring wordt de ingeschakelde vergrendeling beëindigd, d.w.z. gedesactiveerd.
4.23 Powerstand
De powerstand stelt extra vermogen voor de inductiekookzones ter beschikking. Een grote hoeveelheid water kan snel aan de kook worden gebracht.
- 1. De inductie kookplaat inschakelen.
- 2. Het sensorveld uiterst rechts bij max. van de gewenste kookzone aanraken. In de kookstandweergave verschijnt . De powerstand is ingeschakeld.
- 3. Na 10 minuten wordt de powerstand automatisch uitgeschakeld. De verdwijnt en er wordt naar kookstand 9 teruggeschakeld.
Opmerking
Om de powerstand vervroegd uit te schakelen, op het overeenkomstige sensorveld drukken.
4.24 Powermanagement
Telkens twee kookzones zijn – om technische redenen
- tot een module gecombineerd en beschikken over een maximaal vermogen.
Als deze vermogensgrens bij het inschakelen van een hoge kookstand of de powerfunctie wordt overschreden, reduceert het powermanagement de kookstand van de bijbehorende module-kookzone.
De aanwijzing van deze kookzone knippert eerst, daarna wordt de maximaal mogelijke kookstand constant getoond.
Modules (powermanagement)
Pagina 16
Bediening
4.25 Afzuiging gebruiken
In het midden van de kookplaat bevindt zich de afzuiging naar onderen.
LET OP
Leg het deksel niet op de inductiekookplaat! Gevaar voor verbranding!
4.25.1 Ventilator in- en uitschakelen
- 1. Aan/Uit-toets ventilator indrukken (ca. 1 sec.)
- 2. Daarna kan met de plus- / of min-toets een gewenste vermogensstand 1,2,3,4 of P worden gekozen. Het symbool van de ventilator brandt.
De intensieve stand 4 blijft 10 minuten lang ingeschakeld, daarna wordt automatisch teruggeschakeld naar stand 4.
- 3. Voor het uitschakelen op de min-toets van de ventilator drukken tot er 0 wordt weergegeven of op de Aan-/Uit-toets van de ventilator drukken.
Tip
Om te zorgen dat de afzuiging ook bij hoge pannen (bijv. aspergepan) goed werkt, kunt u aan de ventilatorzijde een kooklepel onder het pandeksel leggen.
4.25.2 Instelbare naloop van de afzuiging
De naloop van de afzuiging wordt na het koken gebruikt om kookgeurtjes weg te zuigen. Bovendien worden hierdoor de filters in het systeem gedroogd.
Naloop instellen
- 1. De plus- en min-toets van de ventilator tegelijk indrukken. Vervolgens is er een ventilatornaloop van 10 minuten ingesteld. Het ventilatorsymbool en de decimale punt knipperen.
- 2. Met de plus-toets wordt de tijd in stappen van 5 minuten verlengd.
Met de min-toets wordt de tijd in stappen van 5 minuten verkort.
- 3. Door opnieuw tegelijkertijd indrukken van de plus- en min-toets wordt de instelling gestart en verdwijnt de weergave. De resterende nalooptijd en de ingestelde ventilatorstand wordt om de 30 seconden kort weergegeven.
Pagina 17
NL
Bediening
Naloop tijd wijzigen
- De plus- en min-toets van de ventilator tegelijk indrukken. De tijd kan worden gewijzigd.
Naloop voortijdig uitschakelen
- Automatische naloop: Op de Aan/Uit-toets van de ventilator drukken.
OPMERKING
Als de ventilatie minstens 15 minuten in gebruik was, vindt er een automatische naloop van 15 minuten in stand 1 plaats om het systeem te drogen.
Automatische naloop deactiveren
- 1. De besturing met de Aan/Uit-toets van de ventilator inschakelen.
- 2. De Aan/Uit-toets van de ventilator ca. 3 seconden indrukken totdat verschijnt. De automatische naloop is permanent gedeactiveerd.
Automatische naloop activeren
- 1. De besturing met de Aan/Uit-toets van de ventilator inschakelen.
- 2. De Aan/Uit-toets van de ventilator ca. 3 seconden indrukken totdat verschijnt. De automatische naloop is permanent geactiveerd.
4.25.3 Aanwijzingen m.b.t. de nalooptijd
Telkens na het koken zou een nalooptijd van de ventilatormotor van 10 - 20 minuten moeten worden ingesteld. Als de ventilator minstens 15 minuten heeft gewerkt, vindt er na het uitschakelen een automatische naloop van ca. 15 minuten op een lage stand plaats. Zo wordt een optimale werking en verwijdering van resterende kookdampen gewaarborgd.
Bij werking met recirculatiefi lter is het raadzaam om na het koken altijd een nalooptijd van 10 - 60 minuten in te stellen, om een optimale geurverwijdering te bereiken. Bij het opnieuw inschakelen van de ventilator kan het in zeldzame gevallen voorkomen, dat de in het filter achtergebleven geurmoleculen zich hechten aan waterdamp en weer even geroken kunnen worden. Deze restgeurtjes verdwijnen tijdens de verdere werking weer snel.
OPGELET
Bij recirculatie dient voortdurend voldoende geventileerd te worden om de luchtvochtigheid af te voeren.
4.25.4 Indicatie vetfilter reinigen
Na 10 bedrijfsuren verschijnt de indicatie voor ‘Filter Cleaning’. Het vetfilter moet gereinigd worden, anders bestaat er brandgevaar.
Om de ventilatie verder te kunnen gebruiken, kunt u de indicatie met de Min-toets bevestigen.
Als het vetfilter gereinigd is, kunt u de indicatie wissen door de Min-toets en de Aan/Uit-toets van de ventilator tegelijk min. 3 seconden lang in te drukken. De teller voor de indicatie begint weer bij 0 uur.
4.25.5 Indicatie koolstoffilter vervangen
Na 150 bedrijfsuren verschijnt de indicatie voor ‘Carbon Cleaning’. Het koolstoffilter moet worden vervangen.
Om de ventilatie verder te kunnen gebruiken, kunt u de indicatie met de Plus-toets bevestigen.
Als het koolstoffilter gereinigd is, kunt u de indicatie wissen door de Plus-toets en de Aan/Uit-toets van de ventilator tegelijk min. 3 seconden lang in te drukken. De teller voor de indicatie begint weer bij 0 uur.
4.25.6 Schakel de koolstoffi lter-bedrijfsurenteller uit tijdens de afvoerluchtmodus
Bij de afvoerluchtmodus kan de bedrijfsurenteller voor het koolstoffilter worden uitgeschakeld.
Hiervoor moet de regelaar eerst via de ‘Aan/Uit’-knop op de afzuiging worden ingeschakeld en mag er geen melding worden weergegeven.
Druk vervolgens gedurende 3 seconden tegelijkertijd op de en ‘Aan/Uit’-knop van de afzuiging .
In het display verschijnt (Carbon off ) en de bedrijfsurenteller voor het koolstoffilter is uitgeschakeld. Om de bedrijfsurenteller opnieuw in te schakelen, dient u deze handeling te herhalen.
(Carbon on) verschijnt op het display en de bedrijfsurenteller voor het koolstoffilter is weer ingeschakeld.
Pagina 18
Reiniging en onderhoud
- 5 Reiniging en onderhoud
- Vóór het reinigen de inductie kookplaat uitschakelen en laten afkoelen.
- De keramische glasplaat mag in geen geval met een stoomreinigingsapparaat of dergelijke worden schoongemaakt!
- Bij het reinigen erop letten dat slechts kort over de Aan/Uit-toets wordt geveegd. Op die manier wordt vermeden dat de inductie kookplaat per ongeluk wordt ingeschakeld!
5.1 Keramische glasplaat
Belangrijk! Gebruik nooit agressieve reinigingsmiddelen zoals grove schuurmiddelen, krassende pannenreinigers, roest- en vlekkenverwijderaar enz.
Reiniging na gebruik
- 1. Maak de hele kookplaat altijd schoon als ze vuil is – het beste telkens na gebruik. Gebruik hiervoor een vochtige doek en wat afwasmiddel. Daarna wrijft u de kookplaat met een schone doek droog, zodat er geen resten van afwasmiddel op het oppervlak achterblijven.
Wekelijks onderhoud
- 2. Reinig en onderhoud de inductie kookplaat één keer in de week grondig met gebruikelijke reinigingsproducten voor vitrokeramiek. Houdt u zich in elk geval aan de instructies van de fabrikant. De reinigingsproducten vormen bij het aanbrengen een beschermend laagje dat water en vuil tegenhoudt. Alle verontreinigingen blijven op deze laag zitten en kunnen daarna veel gemakkelijker worden verwijderd. Vervolgens met een schone doek droogwrijven. Er mogen geen resten van reinigingsmiddelen op het oppervlak achterblijven, omdat ze bij het opwarmen agressief reageren en het oppervlak veranderen.
Sterk verontreinigingen en vlekken (kalkvlekken, parelmoerachtig glanzende vlekken) kunt u het best verwijderen als de inductie kookplaat nog lauwwarm is.
Gebruik hiervoor gebruikelijke reinigingsmiddelen. Ga daarbij te werk zoals onder punt 2 beschreven.
Overgekookte spijzen eerst met een natte doek inweken en vervolgens de vuilresten met een speciale glasschraper voor keramische glasplaten verwijderen. Daarna de kookplaat reinigen zoals onder punt 2 beschreven. Ingebrande suiker en gesmolten kunststof verwijdert u meteen – zolang ze nog heet zijn – met een glasschraper. Daarna de keramische glastegel reinigen zoals onder punt 2 beschreven.
Zandkorrels die mogelijk tijdens het aardappelen schillen of sla schoonmaken op de kookplaten vallen, kunnen bij het verschuiven van pannen krassen veroorzaken. Let er dus op dat er geen zandkorrels op het oppervlak blijven liggen.
Kleurveranderingen van de keramische glastegel hebben geen invloed op de werking en de stevigheid van de vitrokeramiek. Het gaat hierbij niet om een beschadiging van de kookplaat, maar om niet verwijderde en daarom ingebrande resten.
Glanzende plekken ontstaan door slijtage van de panbodem, in het bijzonder bij het gebruik van kookgerei met een aluminium bodem of door ongeschikte reinigingsmiddelen. Ze kunnen slechts moeizaam met gebruikelijke reinigingsmiddelen worden verwijderd. Eventueel de reiniging meermaals herhalen. Door het gebruik van agressieve reinigingsmiddelen en door schurende panbodems wordt het design op het keramische glas in de loop van de tijd afgeschuurd en ontstaan er donkere vlekken.
Pagina 19
Reiniging en onderhoud
5.2 Afzuiging
Reiniging van de vetfilters
Reinig het vetfilter minimaal één keer per maand of bij te vette toestand en intensief gebruik in de vaatwasmachine of in een mild sopje.
Voor het uitnemen van het filter, dient men de kap van de afzuiging op te tillen. Hierdoor kunt u gemakkelijk het filter uitnemen voor de schoonmaak.
Glazen afdekplaat
OPMERKING
De glazen afdekplaat niet te hard neerleggen. Kans op glasbreuk.
Filters kunt u in de vaatwasmachine reinigen. Filters in de vaatwasmachine ondersteboven zetten. Gebruik a.u.b uitsluitend naspoelmiddel dat geschikt is voor RVS, om schade en verkleuringen aan de filters te voorkomen. Niet vlak naast glazen of licht porselein laten afwassen.
Gebruik de afzuiging niet zonder vetfilters!
Na de fi lterreiniging de filters droog weer in de afzuiging zetten. Belangrijk: de greepopening moet na het inzetten zichtbaar zijn. Neem liefst bij ieder fi ltervervanging de goed toegankelijke binnenzijde van de afzuiging behuizing af met een met afwasmiddel bevochtigd doekje en let hierbij vooral op uitstekende delen binnenin de afzuiging behuizing.
Reiniging en onderhoud van de afzuiging behuizing
Het geniet de voorkeur om de behuizing bij iedere fi lterreiniging te reinigen.
Na langdurige koken van water met geopend deksel kan zich condenswater onder het filter verzamelen. Dat is volkomen normaal. Het water zou echter verwijderd en de binnenzijde van de behuizing gereinigd moeten worden.
Het niet tijdig reinigen van het vetfilter en de behuizing kan leiden tot vervelende geurtjes in ruststand en bij opstarten van de afzuiging. Het is daarom raadzaam deze reiniging minimaal één keer per maand grondig te doen.
De behuizing kunt u het beste met een vochtig, zacht doekje en wat mild afwasmiddel reinigen.
Service
Het recirculatie filter moet toegankelijk blijven. Bij een actieve koolfilter om de 5 - 24 maanden de koolfi ltermatten vervangen. Dit is sterk afhankelijk van het kookgedrag van de gebruiker (intensiteit en regelmaat).
Afneembare bodem ventilator
De bodem van de behuizing kan worden uitgenomen om te worden gereinigd.
Hiervoor dient u de kookplaat en de ventilator uit te schakelen en de glazen afdekking en het filter uit te nemen.
De bodem met de ene hand van onderen vasthouden en met de andere hand de 4 vergrendelingen openen. Na het openen de bodem horizontaal houden en voorzichtig naar onderen toe weghalen.
Eventuele vloeistoffen weggieten en verontreinigingen grondig verwijderen. Toegankelijke binnenzijden van de behuizingen reinigen. Optioneel kan men de bodem in de vaatwasser laten reinigen.
Na de reiniging de bodem weer inzetten en met de 4 vergrendelingen bevestigen.
Pagina 20
Wat te doen bij problemen? NL
6 Wat te doen bij problemen?
Ongekwalifi ceerde ingrepen en reparaties aan het apparaat zijn gevaarlijk omdat er gevaar voor stroomstoten en kortsluiting bestaat. Om lichamelijk letsel en schade aan het toestel te voorkomen, moeten ze worden vermeden. Daarom mogen dergelijke werkzaamheden alleen door een elektrotechnicus, bijv. van de technische klantenservice, worden uitgevoerd.
Denk eraan
Als er aan uw apparaat storingen optreden, controleer dan eerst aan de hand van deze gebruiksaanwijzing of u de oorzaken niet zelf kunt verhelpen.
Hierna vindt u tips voor het verhelpen van storingen. De zekeringen vallen meermaals uit?
Neem contact op met de klantenservice of een servicemonteur!
De inductiekookplaat kan niet worden ingeschakeld?
- Heeft de zekering van de huisinstallatie (zekeringenkast) gereageerd?
- Is het netsnoer aangesloten?
- Is de kinderbeveiliging ingeschakeld, d.w.z. wordt er een L aangetoond?
- Zijn de sensoren gedeeltelijk door een vochtige doek, vloeistof of een metalen voorwerp bedekt? A.u.b. verwijderen.
- Wordt verkeerd kookgerei gebruikt? Zie hoofdstuk „Servies voor inductiekookplaat”.
Het symbool knippert en er is gedurende een bepaalde tijd een signaal te horen.
Er is een permanente activering van de slider touchcontrol door overgekookte levensmiddelen, kookgerei of andere voorwerpen.
Oplossing: het oppervlak schoonmaken of het voorwerp verwijderen. Om het symbool te wissen, op dezelfde toets drukken of de inductie kookplaat uit- en inschakelen.
De foutcode E2 wordt getoond?
De elektronica is te heet. De inbouwsituatie van de inductie kookplaat controleren, in het bijzonder op voldoende ventilatie letten.
Zie hoofdstuk Oververhittingsbeveiliging. Zie hoofdstuk Ventilatie.
De foutcode E8 wordt getoond?
Fout aan de ventilator rechts of links. De aanzuigopening is geblokkeerd of afgedekt, of de ventilator is defect. De montage van de kookplaat controleren, in het bijzonder op voldoende ventilatie letten.
Zie hoofdstuk Oververhittingsbeveiliging. Zie hoofdstuk Ventilatie.
De foutcode U400 wordt getoond?
De kookplaat is verkeerd aangesloten. De besturing wordt na 1s uitgeschakeld en er is een continu signaal te horen. De correcte netspanning aansluiten.
Er wordt een foutcode (ERxx of Ex) getoond?
Er is een technisch defect. A.u.b. contact opnemen met de service.
Het pansymbool verschijnt?
Er werd een kookzone ingeschakeld en de kookplaat verwacht dat er een geschikte pan wordt opgezet (panherkenning). Pas dan wordt er energie afgegeven.
Het pansymbool blijft verschijnen, hoewel er een pan werd opgezet?
De pan is niet geschikt voor inductie of heeft een te kleine diameter.
De gebruikte kookpannen maken geluid?
Dat heeft een technische oorzaak; er bestaat geen gevaar voor de inductiekookplaat of de pan.
De koelventilator blijft na het uitschakelen nog lopen?
Dat is normaal omdat de elektronica wordt afgekoeld.
De kookplaat maakt geluiden (klikgeluiden)?
Dat heeft een technische oorzaak en is niet te vermijden.
De kookplaat heeft barsten of breuken?
Bij breuken, barsten, scheuren of andere beschadigingen aan de keramische glasplaat bestaat gevaar voor elektrische schokken. Het toestel onmiddellijk buiten gebruik nemen. Onmiddellijk de zekering in de woning uitschakelen en contact opnemen met de klantenservice.
Pagina 21
Montagehandleiding
7 Montagehandleiding 7.1 Veiligheidsinstructies voor de keukenmeubelmonteur
- Het fi neer, de lijm of de kunststofbekleding van de aangrenzende meubels moeten temperatuurbestendig zijn (min. 75°C). Als het fi neer en de bekleding onvoldoende temperatuurbestendig zijn, kunnen ze vervormen.
- Bij het ingebouwde toestel mag geen contact mogelijk zijn met onderdelen die bij het gebruik onder spanning staan.
- Het gebruik van muurstrips van massief hout op het werkblad achter de kookplaat is toegelaten voor zover de minimumafstanden volgens de inbouwtekeningen worden gerespecteerd.
- De minimumafstanden aan de achterkant van de kookplaatuitsparingen moeten volgens de inbouwtekening worden gerespecteerd.
- Bij het inbouwen naast een hoge kast is een veiligheidsafstand van minstens 50 mm vereist. De zijkant van de hoge kast moet met warmtebestendig materiaal worden bekleed. Om goed te kunnen werken dient de afstand echter ten minste 300 mm te bedragen.
- Het verpakkingsmateriaal (plastic folie, piepschuim, spijkers, enz.) moet uit de buurt van kinderen worden gehouden omdat deze delen mogelijke risicobronnen vormen. Kleine onderdelen kunnen worden ingeslikt en bij folie bestaat er verstikkingsgevaar.
7.2 Ventilatie
- De inductiekookplaat is voorzien van een ventilator die automatisch aan- en uitgaat. Als de temperatuurwaarden van de elektronica een bepaalde drempel overschrijden, start de ventilator met lage snelheid. Wordt de inductiekookplaat intensief gebruikt, dan schakelt de ventilator over naar een hogere snelheid. Als de elektronica voldoende is afgekoeld, reduceert de ventilator zijn snelheid en schakelt automatisch uit.
- De afstand tussen de inductiekookplaat en de keukenmeubels of de ingebouwde apparaten moet groot genoeg zijn, zodat de inductie voldoende geventileerd wordt.
- Als het vermogen van een kookzone regelmatig vanzelf gereduceerd of uitgeschakeld wordt (zie hoofdstuk 'Oververhittingsbeveiliging'), is de koeling waarschijnlijk onvoldoende. In dat geval is het aanbevolen de achterwand van de onderkast ter hoogte van de uitsparing in het werkblad te openen en de voorste dwarslijst van het meubel over de gehele breedte van de kookplaat te verwijderen, zodat een betere luchtcirculatie mogelijk is.
Voor een betere ventilatie van de kookplaat wordt vooraan een luchtspleet van 5 mm aanbevolen.
7.3 Montage
Belangrijke opmerkingen
- Eventuele dwarslijsten onder het werkblad moeten tenminste ter hoogte van de uitsparing in het werkblad worden verwijderd.
Kookplaatafdichting
Vóór het inbouwen moet de meegeleverde kookplaatafdichting zonder onderbreking worden ingelegd.
- U moet verhinderen dat er tussen de rand van de kookplaat en het werkblad of tussen het werkblad en de muur vloeistoffen in de daaronder ingebouwde elektrische apparaten kunnen indringen.
- Bij inbouw van de kookplaat in een oneffen werkblad, bijv. met een keramisch of vergelijkbaar oppervlak (tegels enz.) moet de pakking, die zich evt. aan de kookplaat bevindt, worden verwijderd. In de plaats daarvan moet de verbinding tussen kookplaat en werkblad met plastische afdichtmaterialen (kit) worden afgedicht.
- De kookplaat in geen geval met silicone vastkleven!
Anders is het later niet meer mogelijk de kookplaat weer te verwijderen zonder ze te vernielen.
Uitsparing in het werkblad
De uitsparing in het werkblad moet zo nauwkeurig mogelijk met een goed, recht zaagblad of een bovenfrees worden uitgezaagd. De snijvlakken dienen daarna te worden verzegeld zodat er geen vocht kan binnendringen.
De uitsparing voor de kookplaat wordt volgens de afbeeldingen uitgezaagd. De inductie kookplaat moet absoluut horizontaal en op gelijke hoogte met het werkblad liggen. Eventuele spanningen kunnen de glazen plaat doen breken. Controleren of de pakking van de inductie kookplaat correct zit en volledig afsluit.
21
Pagina 22
NL
Montagehandleiding
7.4 Variabele montagemogelijkheden: Opliggende montage
Afmetingen in mm
LET OP
Als de inductie kookplaat scheef zit of spant, bestaat er verhoogd breukgevaar bij de montage!
Vlak inbouw
Afdichttape in de hoek van de steunrand van het aanrecht aanbrengen, zodat geen siliconenlijm onder de kookplaat kan terechtkomen.
De kookplaat zonder lijm in de uitsparing van het werkblad leggen en uitlijnen. Eventueel hoogtecompensatieplaten eronder leggen. De spleet tussen kookplaat en aanrechtblad met siliconenlijm voegen.
Belangrijk
Siliconenlijm mag op geen enkele plaats onder het oplegvlak terechtkomen. Het uitnemen op een later tijdstip wordt daardoor onmogelijk. Bij negeren komt de garantie te vervallen.
7.5 Buitenafmetingen kookplaat
Pagina's 23–25: niet in het Nederlands of zonder lopende tekst, zie de pdf.
Pagina 26
Montagehandleiding
7.6 Montage afzuigingssysteem
- Het product mag alleen door een erkende vakman met inachtneming van de plaatselijk geldende voorschriften worden aangesloten; hetzelfde geldt voor de afzuigingsaansluitingen. De installateur is verantwoordelijk voor de storingsvrije werking op de montageplek!
- Let bij de inbouw op de geldende bouwvoorschriften van de desbetreffende landen en de energiebedrijven.
- De kookplaatventilator kan als afvoerlucht- en als circulatieluchtapparaat worden ingezet.
- De afzuiglucht in een voor dat doel aangebrachte ventilatieschacht of door de huismuur naar buiten leiden.
- De afzuiglucht mag niet via een in gebruik zijnde rook- of gasafvoerschouw worden afgevoerd. Vraag in geval van twijfel advies bij een erkend schoorsteenveger.
- Als in de buurt van de kookplaatventilator een haardafhankelijk vuur (hout-, kool-, olie- of gasvuur) aanwezig is, moet er voor voldoende, vers aangevoerde lucht worden gezorgd. Anders bestaat er gevaar voor vergiftiging. Een veilige werking van de kookplaatventilator is gewaarborgd als de door de kookplaatventilator veroorzaakte onderdruk de 0,04 mbar (4 Pa) niet overschrijdt en er voldoende verse lucht de ruimte in kan stromen.
- Afvoerluchtleidingen moeten voldoen aan brandklasse B 1 DIN 4102.
- Zorg ervoor dat er geen kleinere maat aansluitmof wordt gekozen dan de minimale, nominale wijdte.
- Het is van belang dat er altijd gebruik wordt gemaakt van het voor de luchtgeleiding aanbevolen en met de kookplaatafzuiging compatibele systeem.
- De nominale wijdte van de circulatieluchtbuizen mag niet kleiner zijn dan 150 mm.
- Afvoerluchtleidingen zouden zo kort mogelijk moeten zijn, niet in een hoek van 90 graden maar in wijde bochten doorgetrokken moeten worden en geen diameterreducties mogen hebben.
- Buisdiameters nooit kleiner dan 150 mm kiezen.
- Advies is om tussen twee hoeken/bochten altijd een recht stuk van ca. 50 cm plaatsen.
- De diameters van roosters en de uitsparing in de plint zouden minimaal overeen moeten komen met de diameter van de afvoerluchtleiding. Er dient een uitstroomopening van minstens 500 cm² aanwezig te zijn. De plintlijsthoogte inkorten of passende openingen aanbrengen.
- Zorg er tijdens de installatie voor dat de circulatieluchteenheid ook na het afmonteren van de keuken toegankelijk blijft.
- Eventueel moeten plintpoten van de keukenkastjes worden verplaatst. Dit is afhankelijk van het keukensysteem. Raadpleeg hierbij uw keukenverkoper bij eventuele vragen.
OPMERKING
Bij recirculatie dient voortdurend voldoende geventileerd te worden om de luchtvochtigheid af te voeren.
Pagina 27
Technische gegevens
- 7.7 Elektrische aansluiting
WAARSCHUWING VOOR
ELEKTRISCHE ENERGIE!
ER BESTAAT LEVENSGEVAAR!
In de buurt van dit symbool zijn onder spanning staande onderdelen aangebracht.
Afdekkingen die hiermee gemarkeerd zijn, mogen uitsluitend door een erkende elektromonteur worden verwijderd.
- De elektrische aansluiting mag uitsluitend door een erkend vakman worden uitgevoerd!
- De wettelijke voorschriften en aansluitvoorwaarden van de plaatselijke elektriciteitsmaatschappij moeten strikt worden nageleefd.
- Bij het aansluiten van het apparaat moet een installatie worden voorzien die het mogelijk maakt het apparaat met een contactopeningswijdte van ten minste 3 mm met alle polen van het net te scheiden.
Geschikte scheidingsinstallaties zijn LS-schakelaars, zekeringen en contactoren. Bij aansluiting en reparatie het toestel met een van deze installaties stroomloos maken.
- De aardleider moet zo lang zijn dat hij bij het begeven van de trekontlasting pas na de stroomvoerende aders van de aansluitkabel met trekkracht wordt belast.
- De overtollige kabellengte moet uit de inbouwzone onder het toestel worden getrokken.
- U moet er ook op letten dat de netspanning met de op het typeplaatje aangegeven netspanning overeenstemt.
- Bij het ingebouwde toestel mag geen contact mogelijk zijn met onderdelen die bij het gebruik onder spanning staan.
- Let op: Door een verkeerde aansluiting kan de vermogenselektronica worden beschadigd / vernield.
Inductie kookplaat aansluitwaarden
380-415 2N 50/60Hz and 220-240 2N 50/60Hz
7400W
Nominale componentenspanning: 220-240V
Afzuiging motor aansluitwaarden
220-240V 50/60Hz
168W
Inductie aansluiting
- Er is standaard geen kabel aanwezig voor de aansluiting van het inductie gedeelte.
- Om de aansluiting uit te voeren moet het deksel van de aansluitdoos aan de onderkant van het apparaat worden losgemaakt om zo de aansluitklem te bereiken. Na de aansluiting moet het deksel weer vastgemaakt en de aansluitleiding met de snoerklem beveiligd worden.
- De aansluitleiding moet minstens van het type H05 RR-F zijn.
7.8 Inbedrijfstelling
Na het inbouwen van de kookplaat en na het inschakelen van de voedingsspanning (aansluiting op het net) vindt eerst een zelftest van de besturing plaats en verschijnt er een service-informatie voor de klantenservice.
Belangrijk: bij de aansluiting op het net mogen er geen voorwerpen op de slider touch-control liggen!
8 Technische gegevens
| Afmetingen kookplaat | |
|---|---|
| hoogte/ breedte/ diepte mm | 150 x 870 x 522 |
| Kookzones | |
| alle ......................cm / kW | 19x22/ 2,1 (3,7)* |
| Kookplaat .................. kW | 7,4 |
| Ventilator ................... kW | 0,168 |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 27)
* Vermogen bij ingeschakelde powerstand
Pagina 28: niet in het Nederlands of zonder lopende tekst, zie de pdf.
Pagina 29
Buitenbedrijfstelling, afvoer
11 Buitenbedrijfstelling, afvoer 11.1 Buitenbedrijfstelling
Als het apparaat ooit is uitgediend, vindt de buitenbedrijfstelling plaats.
- Schakel de zekering in de huisinstallatie uit om het risico op elektrische schokken uit te sluiten.
- Voer de kookplaat na de demontage milieuvriendelijk af.
11.2 Verwijderen van de verpakking
Verwijder de transportverpakking op een zo milieubewust mogelijke manier. De recyclage van het verpakkingsmateriaal bespaart grondstoffen en vermindert de afvalberg.
11.3 Verwijderen van oude apparaten
Het symbool op het product of op de verpakking wijst erop dat dit product niet als huishoudafval mag worden behandeld. Het moet echter naar een plaats worden gebracht waar elektrische en elektronische apparatuur wordt gerecycled.
Door dit product correct te verwijderen, draagt u bij aan de bescherming van het milieu en de volksgezondheid. Het milieu en de volksgezondheid worden in gevaar gebracht door het product verkeerd te verwijderen. Voor meer details in verband met het recyclen van dit product, kunt u het beste contact opnemen met de gemeentelijke instanties, het bedrijf of de dienst belast met de verwijdering van huishoudafval of de winkel waar u het product hebt gekocht.