Liebherr SCFvh 4032, tekst van de handleiding
Vriezer · Liebherr · 56 pagina's in het Nederlands · pdf: 60 pagina's, 9,1 MB
Handleiding openen (pdf) Bron: www.liebherr.com
Deze handleiding geldt ook voor: SCFvh 4002.
Storingen op pagina 42
Pagina 42
Bediening
7.2.31 Resetten naar fabrieksinstel‐
lingen
Gebruik deze functie om alle instellingen terug te zetten naar de fabrieksinstellingen. Alle instellingen die u tot nu toe hebt gemaakt, worden gereset naar de oorspronkelijke instellingen.
Reset uitvoeren
Fig. 227
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ Apparaat wordt gereset.
▷ Apparaat is uitgeschakeld.
Aanwijzing
Resetten naar fabrieksinstellingen in batterijmodus: Herstarten is alleen met netspanning mogelijk.
- Apparaat opnieuw starten. (zie 5.1 Apparaat inschakelen (eerste inbedrijfstelling))
7.3 Meldingen
Fig. 226
7.3.1 Waarschuwingen
Waarschuwingen worden akoestisch door een signaaltoon en optisch door een symbool op het display weergegeven. De signaaltoon wordt sterker en luider tot de melding wordt bevestigd.
| Melding (rood) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Deur open | De melding verschijnt, als de deur te lang geopend is. | Deur sluiten. Kort aanraken. Alarm wordt beëindigd. Aanwijzing De tijd, tot het bericht verschijnt, kan worden ingesteld. (zie 7.2.25 Deuralarm ) |
| Temperatuuralarm | De melding verschijnt, als de temperatuur niet overeenkomt met de ingestelde temperatuur. Oorzaken voor temperatuurverschillen kunnen zijn: Er zijn warme levensmiddelen in het apparaat geplaatst. Bij het sorteren en uitnemen van levensmiddelen is teveel warme ruimtelucht binnen gestroomd. De stroom is gedurende langere tijd uitgevallen. | Kort aanraken. Informatie over fouten en de apparaatstatus worden weergegeven. Kort aanraken. Hoogste/laagste temperatuur, de datum en de tijd worden weergegeven. Kort aanraken. Statusbeeldscherm wordt weergegeven. De huidige temperatuur en het alarmsymbool knipperen rood tot de ingestelde temperatuur bereikt is. Kwaliteit van het koelgoed controleren. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 42)
42 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 43
Bediening
| Melding (rood) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Fout | Functie van het apparaat is beperkt, een onderdeel van het apparaat vertoont een fout of het apparaat is defect. | Kort aanraken. Foutcode (bijv. BT021) wordt weergegeven. Kort aanraken. Eventuele verdere foutcode wordt weergegeven. of Statusbeeldscherm met knipperend foutsymbool wordt weergegeven. Door vegen of tikken op het display wordt/ worden de foutcode(s) opnieuw weergegeven. Foutcode(s) noteren. Controleer of de fout op de lijst staat en of u de fout zelf kunt verhelpen. (zie 10.2 Technische storing) Fout staat niet op de lijst of bestaat nog steeds: Contact opnemen met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) Gekoelde producten ergens anders bewaren. |
| Melding wijst op ongepland ontdooigedrag. Als bijvoorbeeld de deur langer wordt opengehouden, kan de verdamper sterker dan normaal bevriezen waardoor de ontdooitijd niet meer voldoende is. | Kort aanraken. DEFR.MAX wordt weergegeven. Kort aanraken. Statusbeeldscherm met knipperend foutsymbool wordt weergegeven. Door vegen of tikken op het display wordt de melding opnieuw weergegeven. Koelgoed verplaatsen en met de hand ontdooien. Als alternatief kan de ontdooiing handmatig worden gestart. (zie 7.2.21 Ontdooien ) Door lang aantikken verdwijnt het knipperende foutsymbool. Als het bericht herhaaldelijk wordt weergegeven en de genoemde oorzaken niet van toepassing zijn, neem dan contact op met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) | |
| Melding geeft aan dat de vorstbeveiligingsmodus actief is (bijv. door veelvuldig openen van deuren of inladen van levensmiddelen). | Kort aanraken. FRZ.PROT wordt weergegeven. Kort aanraken. Statusbeeldscherm met knipperend foutsymbool wordt weergegeven. Door vegen of tikken op het display wordt de melding opnieuw weergegeven. Het apparaat schakelt na een paar uur automatisch over naar de normale bedrijfsmodus en de melding verdwijnt. U kunt de modus en het bericht ook annuleren door er lang op te tikken. Als het bericht herhaaldelijk wordt weergegeven en de genoemde oorzaken niet van toepassing zijn, neem dan contact op met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 43)
* afhankelijk van model en uitvoering 43
Pagina 44
Bediening
| Melding (rood) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Stroomuitval | De melding verschijnt na een onderbreking van de stroomvoorziening. De gebruikersinterface blijft werken in batterijmodus. Alle functies behalve koeling en verlichting blijven actief. | Kort aanraken. De oplaadtoestand van de batterij, informatie over fouten en de apparaatstatus worden weergegeven. Kort aanraken. De warmste temperatuur en de duur van de stroomonderbrekingen worden weergegeven. Kort aanraken. Statusbeeldscherm wordt weergegeven. De huidige temperatuur en het alarmsymbool knipperen rood tot de ingestelde temperatuur bereikt is. Kwaliteit van het koelgoed controleren. |
| WLAN-fout | WLAN-verbinding is onderbroken. | Verbinding controleren. Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
| WWW-fout WLAN | De melding verschijnt als er geen internetverbinding via WLAN is. | Verbinding controleren. Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
| LAN-fout | LAN-verbinding is onderbroken. | Verbinding en netwerkkabel controleren. Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
| WWW-fout LAN | De melding verschijnt als er geen internetverbinding via LAN is. | Verbinding controleren. Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
| Batterijfout | Laadtoestand van de apparaatbatterij laag (maximaal 20% resterend). | Netspanning naar het apparaat herstellen, en 12 uur later controleren of het laadniveau is toegenomen. Neem anders contact op met de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) of vervang de batterij. (zie 9.4 Batterij van apparaat vervangen) Kort tikken. Alarm wordt beëindigd. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 44)
7.3.2 Herinneringen
Er verschijnen herinneringen bij oproepen om iets te doen.
Ze worden akoestisch door een signaaltoon en optisch door een symbool op het display weergegeven. Bevestigen van de melding door drukken op de bevestigingstoets.
| Melding (geel) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Onderhoudsherinnering | De melding verschijnt als de timer van het ingestelde onderhoudsinterval is afgelopen. | Kort tikken. Herinnering wordt beëindigd. Aanwijzing Het onderhoudsinterval kan worden ingesteld (zie 7.2.9 Herinnering onderhoudsinterval ) . |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 44)
44 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 45
Uitrusting
| Melding (geel) | Oorzaak | Oplossing |
|---|---|---|
| Opnameherinnering | Het bericht verschijnt als het geheugen van de temperatuurregistratie (999 uur) vol is. | Kort tikken. Herinnering wordt beëindigd. De oudste gegevens worden overschreven. Aanwijzing De temperatuurregistratie kan worden gereset. (zie 7.2.5 Temperatuurregistratie ) |
| Alarmlogboek | De melding verschijnt, als er meer dan 10 onbevestigde alarmmeldingen zijn. | Kort tikken. Meldingen controleren. Herinnering wordt beëindigd. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 45)
8 Uitrusting
8.1 Veiligheidsslot
Het slot in de deur van het apparaat is voorzien van een veiligheidsmechanisme.
8.1.1 Apparaat vergrendelen
Vriesgedeelte afsluiten.
- Sleutel erin duwen.
- Sleutel 45° rechtsom draaien. ▷ Het vriesgedeelte is afgesloten.
Vries- en koelgedeelte afsluiten.
- Sleutel erin duwen.
- Sleutel 90° rechtsom draaien.
▷ Het vries- en koelgedeelte is afgesloten.
8.1.2 Apparaat opensluiten
Koelgedeelte opensluiten.
- Sleutel erin duwen.
- Sleutel 45° linksom draaien.
▷ Het koelgedeelte is opengesloten.
Vries- en koelgedeelte opensluiten.
- Sleutel erin duwen.
- Sleutel 90° linksom draaien.
▷ Het vries- en koelgedeelte is open.
8.2 Sensoren
Het apparaat kan uitgerust zijn met de volgende sensoren voor temperatuurbewaking:
- Veiligheidsthermostaatsensor - C-sensor - P-sensor
8.2.3 P-sensor (referentiesensor)
De P-sensor is vast in het interieur ingebouwd en toont de producttemperatuur die de temperatuur van het koelproduct simuleert. De P-sensor-temperatuur wordt op de statusweergave als werkelijke temperatuur weergegeven en de ingestelde temperatuurgrenswaarden hebben hierop betrekking. De weergave van de P-sensor kan indien nodig worden gekalibreerd. (zie 7.2.23 Sensorkalibratie )
8.3 Sensor-info
Met deze functie kan worden gekozen tussen C-sensor of P-sensor.
Zorg ervoor dat aan de volgende vereiste is voldaan:
❑P-sensor is aangesloten op het apparaat. (zie 8.4 Interfaces)
8.3.1 C-sensor selecteren
Fig. 228
- Naar links of rechts vegen tot de benodigde functie wordt weergegeven.
8.2.1 Veiligheidsthermostaatsensor
De veiligheidsthermostaatsensor bewaakt de temperatuurdaling en beschermt zo tegen te lage temperaturen (Freeze Protect). Wanneer de temperatuur onder de drempel zakt, regelt het apparaat de temperatuur automatisch. De foutmelding FRZ. PROT (Freeze Protect) (zie 7.3 Meldingen) verschijnt.
Aanwijzing
Veiligheidsshermostaatsensor niet afdekken.
8.2.2 C-sensor (controlesensor)
De C-sensor is vast ingebouwd en regelt de binnentemperatuur van het apparaat. Indien nodig kunt u de C-sensor kalibreren. (zie 7.2.23 Sensorkalibratie )
Fig. 229
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ C-sensor is geselecteerd.
* afhankelijk van model en uitvoering 45
Pagina 46
Onderhoud
8.3.2 P-sensor selecteren
Fig. 230
- Naar links of rechts vegen tot de benodigde functie wordt weergegeven.
Fig. 231
- Stappen volgens de afbeelding uitvoeren. ▷ P-sensor is geselecteerd.
8.4 Interfaces
Aan de achterkant van het apparaat bevinden zich verschillende aansluitmogelijkheden.
Fig. 232
Aanwijzing
De stekkers zijn met schroeven vastgezet. Om de stekkers te kunnen lostrekken, schroeven rechts en links losdraaien.
Fig. 233
- (1) Potentiaalvrije alarmuitgang
- (2) Aansluiting voor P-sensor
8.4.1 Potentiaalvrije alarmuitgang
WAARSCHUWING
Letselgevaar door elektrische schok!
- Uitsluitend deskundig en daarvoor geschoold personeel mag het apparaat op een extern alarmsysteem aansluiten!
Deze drie contacten kunnen worden gebruikt voor aansluiting van een optisch of akoestisch alarmsysteem. De aansluiting is ontworpen voor maximaal 30 V (DC) - 8 A uit een bron met extra lage veiligheidsspanning SELV (minimumstroom 150 mA).
Fig. 234
- (1) NO (normally open) Aansluiting voor controlelampje dat bij normaal bedrijf of wanneer het apparaat is uitgeschakeld actief is.
- (2) COM (common) Externe spanningsbron
- (3) NC (normally closed) Aansluiting voor alarmlampje of akoestisch alarm dat bij alarm of ontbrekende stroomvoorziening actief is.
8.4.2 Aansluiting voor P-sensor
- (3) FORCE (voeding +)
Fig. 235
- (1) IN+ (meetleiding +)
- (2) IN- (gemeenschappelijke retourleiding -)
9 Onderhoud
9.1 Onderhoudsschema
Er moeten regelmatig onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd om de werking van het apparaat in stand te houden.
VOORZICHTIG
Gevaren voor letsel een beschadiging door ondeskundig uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden!
Lichamelijk letsel en materiële schade.
- Onderhoudswerkzaamheden mogen alleen door opgeleid en deskundig personeel worden uitgevoerd.
46 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 47
Onderhoud
| Aanwijzing | ||
|---|---|---|
| Aanbevolen wordt een onderhoudslogboek aan te leggen WAARSCHUWING waarin alle uitgevoerde werkzaamheden (reparaties, inspec-Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onder‐ ties) worden gedocumenteerd. delen! | ||
| Elektrische schok of beschadiging van de elektronica. ► Apparaat uitschakelen. Aanwijzing ► Netstekker eruit trekken of zekering uitschakelen. Liebherr adviseert een jaarlijkse onderhoudsbeurt. Neem contact op met de klantenservice voor een individuele | ||
| Aanwijzing | offerte (zie 10.4 Klantenservice) . | |
| Er kan een herinneringsfunctie voor het onderhoud geactiveerd worden. (zie 7.2.9 Herinnering onderhoudsinterval ) | ||
| Onderdeel | Activiteit | Onderhoudsinterval |
| Plaatstalen onderdelen | Op beschadigingen en corrosie controleren. Vervangen van beschadigde onderdelen: (zie 10.4 Klantenservice) | Jaarlijks |
| Deur, scharnieren | Op de uitlijning (zie 3.8 Deur uitlijnen) , soepele beweging en goed vastzitten controleren. | Jaarlijks |
| Slot, deurgreep* | Op gemakkelijke beweging en vastzitten controleren. | Jaarlijks |
| Deurafdichting | Op beschadiging, slijtage en vastzitten controleren. Er is een vervangende deurafdichting via de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) verkrijgbaar. | Jaarlijks |
| Sensor | Sensor kalibreren. (zie 7.2.23 Sensorkalibratie ) | Jaarlijks |
| Sensordoorvoer | Controleren of de afdichtingsmassa onbeschadigd is. | Jaarlijks |
| Batterij | Batterij van apparaat vervangen. Er is een vervangingsbatterij via de klantenservice verkrijgbaar. (zie 9.4 Batterij van apparaat vervangen) | 5 tot 10 jaar |
| Oppervlakken | Reinigen (zie 9.3 Apparaat reinigen) | Aanbeveling: maandelijks, indien nodig of volgens de eisen op de plaats van opstelling |
| Oppervlakken | Desinfecteren De volgende desinfectiemiddelen zijn getest voor gebruik op het apparaat: Dismozon pur 1 % Lösung (Bode Chemie), Suma Quicksan (Diversey), Incidin Extra N (Ecolab Healthcare), Acrylan (Antiseptica chem.-pharm. Produkte), Buraton 10 F (Schülke und Mayr), Frankocid N (Franken Chemie), Apesin DSR 50 (Tana), Nüscosept Spray (Dr. Nüsken), Melsept SF (B. Braun Melsungen), Kohrsolin (Bode Chemie), Neoquat S (Dr. Weigert), Indicin Rapid (Ecolab Healthcare), Bacillocid Spezial (Bode Chemie), Neoform K Spray (Dr. Weigert), Apesin Desinf. Spray (Tana), Nüscosept 100 (Dr. Nüsken), Antisept T (Fink Tec), Apesin AP 100 0,50% Lösung (Tana), Perform Pulver 2% Lösung (Schülke und Mayr) De gebruiksaanwijzing van de fabrikant in acht nemen. Als er andere dan genoemde desinfectiemiddelen worden gebruikt, moeten deze eerst op een onopvallende plaats worden getest. | Aanbeveling: maandelijks, indien nodig of volgens de eisen op de plaats van opstelling |
| Plaats van opstelling, apparaat | Decontamineren Het apparaat is geschikt voor de ruimtedecontami-natie met waterstofperoxide H2O2. De waarden van de volgende toepassingsspecificatie mogen niet overschreden worden: Maximale concentratie 250 ppm. Maximale vochtigheid 85 %. Maximaal toelaatbare ruimtetemperatuur volgens klimaatklasse. (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat) | Aanbeveling: indien nodig of volgens eisen op de plaats van opstelling, maximaal 2 keer per jaar |
| Ventilator ventilatoropening | Reinigen (zie 9.3.3 Ventilatorafdekking reinigen) | Jaarlijks |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 47)
* afhankelijk van model en uitvoering 47
Pagina 48
Onderhoud
| Onderdeel | Activiteit | Onderhoudsinterval |
|---|---|---|
| Alarm doorsturen | Controleren of de stekkerverbindingen goed vastzitten. | Jaarlijks |
| Sensor | Stekkerverbindingen op goede bevestiging controleren. | Jaarlijks |
| Netkabel | Op beschadiging controleren. | Jaarlijks of Bij locatieverandering |
| Hellingshoek | Op werking en goede bevestiging controleren. | Jaarlijks of Bij locatieverandering |
| Stelpoten/wieltjes | Op werking, beschadiging en goede bevestiging controleren. Beschadigde onderdelen vervangen. (zie 10.4 Klantenservice) | Jaarlijks |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 48)
9.2 Apparaat ontdooien
WAARSCHUWING
Apparaat op de verkeerde manier ontdooid!
Verwondingen en beschadigingen.
- Om het ontdooiproces te versnellen, geen mechanische hulpmiddelen of andere middelen gebruiken die niet door de fabrikant worden aanbevolen.
- Gebruik voor het ontdooien geen elektrische verwarmings- of stoomreinigingsapparaten, open vuur of ontdooisprays.
- IJs niet met scherpe voorwerpen verwijderen.
Het ontdooien gebeurt automatisch. Het dooiwater wordt via de afvoeropening afgevoerd en verdampt.
Om de functionaliteit van het apparaat te behouden, raden we aan het te ontdooien als er veel ijsvorming is. Voor ijsvorming in de binnenruimte zijn de plaats van opstelling (bijv. een hoge luchtvochtigheid), instellingen op het apparaat en verkeerd gebruikersgedrag bepalend.
Als de automatische ontdooicyclus niet voldoende is:
- Automatisch ontdooien handmatig starten. (zie 7.2.21 Ontdooien )
Als het probleem blijft bestaan, moet het apparaat handmatig worden ontdooid:
- Apparaat uitschakelen. (zie 7.2.2 Apparaat in- en uitschakelen )
- Netstekker loskoppelen.
- Koelgoed verplaatsen.
- Apparaatdeur tijdens ontdooien open laten.
- Resterend condenswater met een doek opnemen, afvoeropening en het apparaat reinigen.
9.3 Apparaat reinigen
9.3.1 Voorbereiden
WAARSCHUWING
Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!
Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.
- Apparaat uitschakelen.
- Netstekker eruit trekken of zekering uitschakelen.
WAARSCHUWING
Brandgevaar!
- De buisleidingen van het koelmiddelcircuit niet beschadigen.
- Apparaat leegmaken.
- Netstekker eruit halen.
- Aanwijzingen voor het transport van het apparaat in acht nemen.
9.3.2 Behuizing reinigen
LET OP
Ondeskundige reiniging!
Beschadigingen aan het apparaat.
- Uitsluitend zachte poetsdoekjes en een ph-neutrale allesreiniger gebruiker.
- Gebruik geen schurende of krassende sponzen of staalwol.
- Gebruik geen scherpe, schurende, zand-, chloor- of zuurhoudende schoonmaakmiddelen.
WAARSCHUWING
Gevaar voor verwonding en beschadiging door hete stoom! Hete stoom kan brandwonden veroorzaken en de oppervlakken beschadigen.
- Gebruik geen stoomreinigers!
LET OP
Beschadigingsgevaar door kortsluiting!
- Bij het reinigen van het apparaat voorkomen dat reinigingswater in de elektrische componenten dringt.
- Behuizing met een zachte, schone doek schoonvegen. Bij sterke vervuiling lauwwarm water met neutraal reinigingsmiddel gebruiken. Glazen oppervlakken kunnen ook met een glasreinigingsmiddel worden gereinigd.
- Condensorspiraal jaarlijks reinigen. Als de condensorspiraal niet wordt gereinigd, leidt dit tot een aanzienlijke reductie van de efficiëntie van het apparaat.
9.3.3 Ventilatorafdekking reinigen
LET OP
Beschadigingsgevaar door kortsluiting!
- Bij het reinigen van het apparaat voorkomen dat reinigingswater in de elektrische componenten dringt.
48 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 49
Onderhoud
| LET OP Ondeskundige reiniging! Beschadigingen aan het apparaat. ► Uitsluitend zachte poetsdoekjes en een ph-neutrale allesreiniger gebruiker. ► Gebruik geen schurende of krassende sponzen of staalwol. ► Gebruik geen scherpe, schurende, zand-, chloor- of zuurhoudende schoonmaakmiddelen. | Aanwijzing Typeplaatje aan binnenzijde van apparaat niet beschadigen of verwijderen. Typeplaatje is belangrijk voor de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) |
| ► Deur openen. ► Apparaat leegmaken. ► Binnenruimte en uitrustingsdelen met lauwwarm water en een beetje afwasmiddel reinigen. Geen zand- of zuur‐ | |
| houdende reinigingsmiddelen en geen chemische oplosmiddelen gebruiken. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 49)
9.3.5 Na het reinigen
- Apparaat en uitrustingsdelen droogwrijven.
- Apparaat aansluiten en inschakelen.
Als de temperatuur voldoende koud is:
- Koelgoed erin leggen.
- Reiniging regelmatig herhalen.
- Koelmachine met warmtewisselaar een keer per jaar reinigen en ontstoffen.
9.4 Batterij van apparaat vervangen
Fig. 236
- Ventilatorafdekkingen voorzichtig aan de zijkant eruit halen Fig. 236 (1) en naar de voorkant toe verwijderen Fig. 236 (2).
- Ventilatieopeningen van de ventilatorafdekkingen onder stromend water doorspoelen. Bij sterke vervuiling: lauwwarm water met neutraal reinigingsmiddel gebruiken.
- Ventilatorafdekkingen volledig in de lucht laten drogen.
- Ventilatorafdekkingen weer in het apparaat plaatsen.
9.3.4 Binnenruimte reinigen
WAARSCHUWING
Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!
Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.
- Apparaat uitschakelen.
- Netstekker eruit trekken of zekering uitschakelen.
WAARSCHUWING
Gevaar voor verwonding en beschadiging door hete stoom! Hete stoom kan brandwonden veroorzaken en de oppervlakken beschadigen.
- Gebruik geen stoomreinigers!
LET OP
Ondeskundige reiniging!
Beschadigingen aan het apparaat.
- Uitsluitend zachte poetsdoekjes en een ph-neutrale allesreiniger gebruiker.
- Gebruik geen schurende of krassende sponzen of staalwol.
- Gebruik geen scherpe, schurende, zand-, chloor- of zuurhoudende schoonmaakmiddelen.
Aanwijzing
- Condensafvoer (zie 2.2 Apparaat- en uitrustingsoverzicht) : Afzettingen met een dun hulpmiddel (bijvoorbeeld wattenstaafjes) verwijderen.
De batterij van het apparaat zorgt ervoor de temperatuurgeschiedenis en de alarm- en serviceberichten ook na een stroomstoring opgeslagen worden en de alarmberichten nog ongeveer 12 uur op het display weergegeven worden. Bij de eerste inbedrijfstelling kan het tot 24 uur duren tot de batterij opgeladen en volledig functioneel is.
Er is een vervangingsbatterij via de klantenservice (zie 10.4 Klantenservice) verkrijgbaar.
9.4.1 Batterij vervangen
WAARSCHUWING
Gevaar voor kortsluiting door onder stroom staande onderdelen!
Elektrische schok of beschadiging van de elektronica.
- Apparaat uitschakelen.
- Netstekker eruit trekken of zekering uitschakelen.
Fig. 237
- Schroeven eruit draaien en het afdekplaatje aan de achterkant van het apparaat verwijderen Fig. 237 (1).
- Batterij ontkoppelen en verwijderen Fig. 237 (2).
- Vervangingsbatterij inbouwen.
- Afdekplaatje sluiten en schroeven erin draaien.
- Netsnoer weer aansluiten.
* afhankelijk van model en uitvoering 49
Pagina 50
Klantenhulp
| Opstelvoorwaarden | ||
|---|---|---|
| Aanwijzing ► De batterij moet worden opgestuurd voor gescheiden afvalverwerking en op de juiste wijze en professioneel worden afgevoerd in overeenstemming met de plaatselijk geldende voorschriften en wetten. Batterij in geen geval beschadigen of kortsluiten! | ||
| Minimale en maximale kamertemperatuur | Zie klimaatklassen. (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat) | |
| Maximale relatieve lucht‐ | Zie klimaatklassen. | |
| 10 Klantenhulp 10.1 Technische gegevens | vochtigheid Maximale hoogte werkingspositie (m boven zeeniveau) | (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat) 2000 m 1500 m (glazen deur)* |
| Temperatuurbereik | Elektrische waarden | |
| Koelen +3 °C tot +16 °C* Vriezen -9 °C tot -30 °C Maximale belading per steunvlak A) Apparaatbreedte 550 mm 600 mm 750 mm Oplegroosters -- 45 kg 60 kg Glasplaat 40 kg 40 kg 40 kg Schuiflade (vries‐ 15 kg 15 kg 15 kg | Nominale spanning Frequentie Aansluitwaarde Maximale netschommelingen Overspanningscategorie Gegevens conform DIN 13277 temperatuur van +25 °C Model Energie‐ Tempera‐ | 220-240 V ~ 50/60 Hz 2,0 A +/-10 % II gemeten bij een referentie-Tempera‐ Temperatuur- |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 50)
apparatuur)
A) Bij zware belading kunnen de steunen iets doorbuigen.
| SCFvh | verbruik (kWh/ 24h) | tuurstijging bij stroomuitval (min) | tuur-homogeniteit (°K) | constante (°K) |
|---|---|---|---|---|
| 4002 | 1,300 | 100 (koeldeel) A) 215 (vriesdeel) B) | 1,7 (koeldeel) C) 0,9 (vriesdeel) C) | 1,9 (koeldeel) C) 10,8 (vriesdeel) C) |
| 4032 | 1,541 | 75 (koeldeel) A) 175 (vriesdeel) B) | 2,3 (koeldeel) D) 1,2 (vriesdeel) D) | 3,1 (koeldeel) D) 11,5 (vriesdeel) D) |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 50)
| Maximale totale lading en nettogewicht | ||
|---|---|---|
| Model (zie 3.2 Afmetingen apparaat) | Maximale totale lading | Nettogewicht |
| SCFvh 4002 | 345 kg | 84 kg |
| SCFvh 4032 | 345 kg | 98 kg |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 50)
A) Verwarming referentie-element: van +5 °C naar +10 °C / Referentie-element: 100 ml (50 ml water, 50 ml isopropanol)
| Netto-inhoud | |
|---|---|
| Zie de nuttige inhoud op het typeplaatje. (zie 2.2 en uitrustingsoverzicht) | Apparaat- |
| Verlichting | |
| Energie-efficiëntieklasse A) | Lichtbron |
| Dit product bevat een of meerdere lichtbronnen van energie-efficiëntieklasse F | Led |
| A) Dit product kan lichtbronnen met verschillende | energie- |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 50)
B) Verwarming referentie-element: van minimumtemperatuur naar -10 °C / Referentie-element: 50 ml isopropanol C) Gewenste referentietemperatuurwaarde: +5 °C/-30 °C D) Gewenste referentietemperatuurwaarde: +5 °C/-25 °C efficiëntieklassen bevatten. De laagste energie-efficiëntieklasse is aangegeven.
| Apparaatbatterij | |
|---|---|
| Type | 1S2P/NCR 18650BF |
| Nominale spanning | 3,6 V DC |
| Capaciteit | 6,7 Ah |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 50)
| Specificatie WLAN-frequentie | |
|---|---|
| Frequentieband | 2,4 GHz |
| Maximum uitgestraald vermogen | <100 mW |
| Beoogd gebruik van de radioapparatuur | Integratie in het plaatselijke WLAN-netwerk voor gegevenscommunicatie |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 50)
10.2 Technische storing
Uw apparaat is zodanig geconstrueerd en gemaakt dat functieveiligheid en lange levensduur gegarandeerd zijn. Als er tijdens de werking een storing optreedt, controleer dan of Opstelvoorwaarden de storing werd veroorzaakt door een bedieningsfout. In dat geval moeten ook de tijdens de garantieperiode gemaakte Mate van vervuiling (omge‐ PD2 kosten aan u worden doorberekend.
ving van het apparaat) De volgende storingen kunt u zelf verhelpen.
50 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 51
Klantenhulp
10.2.1 Apparaatfunctie
| Probleem | Oorzaak | Oplossing | |
|---|---|---|---|
| Het apparaat werkt niet. | Het apparaat is niet ingeschakeld. | ► Apparaat inschakelen. | |
| De netstekker steekt niet correct in het stopcontact. | ► Netstekker controleren. | ||
| De zekering van het stopcontact is niet in orde. | ► Zekering controleren. | ||
| Stroomuitval | ► Apparaat gesloten houden. ► Indien nodig de koel-/vrieswaren in een decentrale koel-/vrieskast bewaren, als de stroom langdurig uitvalt. | ||
| De koelapparaatbus steekt niet correct in het apparaat. | ► Koelapparaatbus controleren. | ||
| Temperatuur is te laag. | De apparaatdeur is niet correct aangesloten. | ► Apparaatdeur sluiten. | |
| De be- en ontluchting is onvoldoende. | ► Ventilatieroosters vrijmaken en reinigen. | ||
| De omgevingstemperatuur is te hoog. | ► Let op de juiste omgevingsvoorwaarden: (zie 2.4 Toepassingsgebied van het apparaat) | ||
| Het apparaat werd te vaak of te lang geopend. | ► Afwachten of de noodzakelijke temperatuur vanzelf weer wordt ingesteld. Als dit niet gebeurt, dan contact opnemen met de klantenservice. (zie 10.4 Klantenservice) | ||
| De temperatuur is verkeerd ingesteld. | ► Temperatuur lager instellen en na 24 uur controleren. | ||
| Het apparaat staat te dicht bij een warmtebron (fornuis, verwarming etc.). | ► Opstelplaats van het apparaat of de warmtebron veranderen. | ||
| Rijpvorming op het behuizingsframe en/of aan de binnenzijde van de deur. | Deurafdichting is beschadigd. | ► Deurafdichting vervangen. | |
| U heeft de temperatuur te koud ingesteld of u heeft de deur te weinig geopend. | ► Apparaatfunctie is niet beïnvloed, rijpvorming met een doek verwijderen. | ||
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 51)
10.3 Gegevensregistratie
Als u op uw apparaat een gegevensback-up op een USBstick hebt uitgevoerd (zie 7.2.22 Downloaden van gegevens (gegevensback-up) ) , kunt u de opgeslagen tekstbestanden analyseren.
Na de gegevensback-up worden de volgende bestanden op de USB-stick opgeslagen:
| Event_Log_*.log | Gebeurtenissenlogboek |
|---|---|
| Temperature_Log_*.log | Temperatuurverloopbestand |
| Service_Info.log | Dit bestand is alleen bedoeld voor klantenservice. |
| Download_Info.txt | Dit bestand bevat informatie over het apparaat en de controlesom van de gedownloade bestanden. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 51)
De bestanden Event_Log_*.log en Temperature_Log_*.log worden na het bereiken van een gedefinieerde bestandsgrootte (000, 001, 002, enz.) opeenvolgend genummerd.
Logfile Event_Log_*.log en Temperature_Log_*.log:
Fig. 238 Voorbeeldweergave
- (1) Opeenvolgende (3) Gegevensvelden nummering
- (2) Datum en tijd (UTC)
De individuele waarden worden gescheiden door puntkomma's (;).
Gegevensvelden Event_Log_*.log:
Event Id; Additional Data (zie 10.3.1 Gebeurtenissenlogboek → Event_Log_*.log)
Gegevensvelden Temperature_Log_*.log: Control Sensor Zone 0; Product Sensor Zone 0; Safety-Device Sensor Zone 0; Evaporator Zone 0; Control Sensor Zone 1; Evaporator Zone 1; Ambient (zie 10.3.2 Temperatuurverloopbestand → Tempera-ture_Log_*.log)
* afhankelijk van model en uitvoering 51
Pagina 52
Klantenhulp
10.3.1 Gebeurtenissenlogboek → Event_Log_*.log
10.3.1 A
| Event Id | Additional Data | ||
|---|---|---|---|
| A = Alarm | 0 = Het deuralarm waarschuwt de gebruiker als deze de deur te lang opent of vergeet te sluiten. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 6 = Het apparaat controleert cyclisch of alle sensoren goed werken. Als dit niet het geval is, worden de noodmodus en het alarm geactiveerd. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 12 = Het alarm voor stroomuitval waarschuwt de gebruiker na een stroomuitval dat het apparaat te warm is geworden tijdens de stroomuitval. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 13 = Het alarm voor stroomuitval waarschuwt de gebruiker na een stroomuitval dat het apparaat te koud is geworden tijdens de stroomuitval. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 45 = Het temperatuuralarm wordt geactiveerd wanneer de weergegeven temperatuur gedurende de geconfigureerde tijd het bovenste temperatuurbereik verlaat. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 48 = Het temperatuuralarm wordt geactiveerd wanneer de weergegeven temperatuur gedurende de geconfigureerde tijd het onderste temperatuurbereik verlaat. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 54 = Het apparaatstoringsalarm wordt actief als een elektronisch component (sensor of actuator met terugkoppeling) een storing heeft en de apparaatstoringsfunctionaliteit is geconfigureerd. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
| A = Alarm | 127 = De waarschuwing wordt actief wanneer de datalogger een stroomstoring in het lokale 13 V-systeem detecteert. | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan 2 = Bevestigd |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 52)
| 10.3.1 B | |
|---|---|
| Event Id | Additional Data |
| B = Fout in datalogger | I = Info Interne gebeurtenisloggegevens voor de klantenservice. W = Warning E = Error R = Reset A = Assert |
| 10.3.1 C | |
| Event Id | Additional Data |
| C = Compressor | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. 0 = Uit 1 = Aan |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 52)
10.3.1 DF
| Event Id | Additional Data | |
|---|---|---|
| DF = Ontdooien | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Uit 1 = Aan |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 52)
52 * afhankelijk van model en uitvoering
Pagina 53
Klantenhulp
10.3.1 DL
| Event Id | Additional Data | |
|---|---|---|
| DL = Deurvergrendeling | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Ontgrendeld 1 = Vergrendeld 2 = Noodopening |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)
10.3.1 DR
| Event Id | Additional Data | |
|---|---|---|
| DR = Deur | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 = Gesloten 1 = Geopend |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)
| 10.3.1 R | |||
|---|---|---|---|
| Event Id | Additional Data | ||
| R = Status relais | 0 = Alarmrelais 1 = Veiligheidsrelais | 0 = Gesloten 1 = Geopend | |
| 10.3.1 S | |||
| Event Id | Additional Data | ||
| S = Instelling wijzigingen | 0 = Status van een zone is gewijzigd. | 0 = Zone 0 is uitgeschakeld. 1 = Zone 0 is ingeschakeld. 3 = Zone 0 is niet beschikbaar. | 0 = Zone 1 is 0 = Zone 2 is uitgeschakeld. uitgeschakeld. 1 = Zone 2 is ingeschakeld. 1 = Zone 1 is 3 = Zone 2 is niet beschikbaar. ingeschakeld. 3 = Zone 1 is niet beschikbaar. |
| S = Instelling wijzigingen | 1 = Tijd en datum wijziging | Ingestelde tijdwaarde in ISO-formaat, bijv. 2020-05-20T17:02:00 | |
| S = Instelling wijzigingen | 2 = Wachtwoord | 1 = Smart-Lock-code 2 = Display-sperre-Code | 0 = Interne parameter |
| S = Instelling wijzigingen | 3 = Softwareversie | 1 = User Interface 127 = Powerboard | 0 tot 0 tot 0 tot 255 = Patch 255 = Major 255 = Minor Version Version Version |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 53)
* afhankelijk van model en uitvoering 53
Pagina 54
Klantenhulp
| Event Id | Additional Data |
|---|---|
| S = Instelling wijzigingen | 4 = Grenswaarde 0 tot 3 = De 0 = eDataloggerSettingTemperatureA‐ -255 bis temperatuuralarm zone waarin larmMinAbsolute: Als de temperatuur 255 = De nieuwe de gebeur‐ boven deze waarde ligt, wordt de grenswaarden tenis plaats‐ displaytemperatuur afgerond naar de temperatuurvond. insteltemperatuur. alarm. 1 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmMinRelativ: Als de temperatuur boven de insteltemperatuur minus deze waarde is, wordt de displaytemperatuur ingesteld op de insteltemperatuur. 2 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmMaxAbsolute: Als de temperatuur onder deze waarde ligt, wordt de displaytemperatuur afgerond naar de insteltemperatuur. 3 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmMaxRelativ: Als de temperatuur onder de insteltemperatuur plus deze waarde ligt, wordt de displaytemperatuur ingesteld op de insteltemperatuur. 4 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmDelayUpperTemperature: Na deze tijd wordt het temperatuuralarm geactiveerd als de displaytemperatuur warmer is dan de afrondingswaarde. 5 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmDelayLowerTemperature: Na deze tijd wordt het temperatuuralarm geactiveerd als de displaytemperatuur kouder is dan de afrondingswaarde. 6 = eDataloggerSettingTemperatureA-larmRepeat: Na deze tijd wordt het temperatuuralarm weer actief nadat het geannuleerd is. Als de waarde op 0 wordt ingesteld, wordt de functie uitgeschakeld. |
| S = Instelling wijzigingen | 5 = Sensoren voor kalibratie- 0 = Omgevingstemperatuursensor -255 tot offset 1 = Veiligheidsthermostaatsensor 255 = Sensoren voor kalibratie-2 = C-sensor (controlesensor) zone 0 offset in Celsius |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 54)
| 3 = Verdampertemperatuurzone 0 4 = C-sensor (controlesensor) zone 1 5 = Verdampertemperatuurzone 1 6 = P-sensor (productsensor) | |||
| S = Instelling wijzigingen | 6 = Doeltemperatuur | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | Ingestelde temperatuur in graden Celsius, bijv. 5.00 |
| S = Instelling wijzigingen | 7 = Parameter Ontdooien | 0 tot 3 = De zone waarin de gebeurtenis plaatsvond. | 0 tot 65535 = Interval in minuten |
| S = Instelling wijzigingen | 8 = Alarm doorsturen | 00000001 = Deuralarm wordt toegewezen als een extern alarm. 00000010 = Temperatuuralarm wordt toegewezen als een extern alarm. 00000011 = Deuralarm en temperatuuralarm worden toegewezen als een extern alarm. 00000111 = Elk alarm wordt toegewezen als een extern alarm. | |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 54)
| 10.3.1 U | ||
|---|---|---|
| Event Id | Additional Data | |
| U = Gegegevensregi-stratie | 0 = Status datalogger | 0 = Uit 1 = Aan |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 54)
54 * afhankelijk van model en uitvoering
Verder lezen op pagina 2Inhoud