Liebherr SUFsg 3501, tekst van de handleiding
Pagina's 22–44 van 112 · inhoud en begin van de handleiding · pdf
← pagina's 4–21verder op pagina 45 →
Pagina 22
2.2 Afsluit- en regelaarbehuizing
Het bedieningspaneel van de besturing is geïntegreerd in de afsluit- en regelaarbehuizing (B) van het apparaat.
Een deurgreep (C) opent en sluit de deur van het apparaat.
(B)
(18)
Vooraanzicht linkerkant van het apparaat
Afbeelding 6: Afsluit- en regelaarbehuizing met bedieningspaneel van de regelaar en deurgreep
| (B) (C) | Afsluit- en regelaarbehuizing Deurgreep |
| (18) | Deurslot |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 22)
2.2.1 Bediening van het deurslot
Aan de linkerkant van het apparaat vóór de deurgreep bevindt zich het deurslot (18). Er worden twee sleutels meegeleverd. Draai de sleutel rechtsom om het slot te vergrendelen. De sleutel kan in beide standen (open / vergrendeld) worden verwijderd.
Verwijder de sleutel voordat u het portier opent. Anders kan de deursluiting beschadigd raken.
LET OP
Gevaar voor beschadigingen door het openen van de deur met ingestoken sleutel. Beschadiging van het deurslot.
- Verwijder de sleutel voordat u het portier met de handgreep opent.
Pagina 23
2.3 Hoofdschakelaar
De hoofdschakelaar bevindt zich onder aan de rechterkant van het apparaat.
Als optie is een extra vergrendelbare klep boven de hoofdschakelaar verkrijgbaar. Deze kan met een sleutel worden ontgrendeld en vervolgens worden verwijderd.
(5a)
(5)
(4)
Standaard apparaat
Apparaat met optionele vergrendelbare beschermklep
Afbeelding 7: Positie van de hoofdschakelaar en de vergrendelbare beschermklep (optie) aan de rechterkant van het apparaat
- (4) Hoofdschakelaar
- (5) Vergrendelbare beschermklep (optie) (5a) Slot van de vergrendelbare beschermklep
Uitgeschakeld Ingeschakeld
Afbeelding 8: Hoofdschakelaar (4) aan de rechterkant van het apparaat
Pagina 24
2.4 Achterkant apparaat
(6a)
(6b)
(J)
(6b)
| (6c) | (6c) |
|---|---|
| (I) | (I) |
| (7) | (7) |
| Apparaat zonder CO2 noodkoeling Apparaat met CO2 noodkoeling (optie) | |
| Afbeelding 9: Achterkant apparaat | |
| (6a) | Doorvoer 28 mm, voor aansluiting van CO2 noodkoeling (optie) of voor kabels van een extra meetapparaat |
| (6b),(6c) (7) (I) | Doorvoeren 28 mm, bijvoorbeeld voor kabels van een extra meetapparaat Aansluitbus voor koelapparatuurstekker met trekontlasting Aansluitpaneel |
| (J) | CO2 noodkoeling (optie, hoofdstuk 20) |
Pagina 25
(8)
- (9) (10)
(11)
Afbeelding 10: Aansluitpaneel (I) aan de achterkant van het apparaat, met opties
- (8) Ethernet-interface (hoofdstuk 21.1)
- (9) Aansluitbus voor potentiaalvrij alarmcontact (hoofdstuk 14.4.7)
- (10) Aansluitbus voor analoge uitgang 4-20 mA (optie, hoofdstuk 21.2)
- (11) Aansluitbus voor elektrische aansluiting van de CO2 noodkoeling (optie, hoofdstuk 20)
- 2.5 Deuren
2.5.1 Buitendeur
Om stabiele omstandigheden in het interieur te waarborgen, moet de buitendeur bij normaal gebruik gesloten zijn.
Wachttijd voor deur-open-alarm:
Na het sluiten van de buitendeur wordt het deur-open-alarm gedurende een programmeerbare wachttijd uitgeschakeld (fabrieksinstelling: 1 minuut).
2.5.2 Compartimentdeuren
De binnenkant van de ultra-diepvrieskast is onderverdeeld in vier compartimenten, die met twee deuren van de omgeving zijn gescheiden. Hierdoor kunnen de monsters van een enkel compartiment worden geplaatst of verwijderd zonder de temperatuur in andere compartimenten noemenswaardig te beïnvloeden.
De binnendeuren blijven bij het openen van de buitendeur gesloten zonder dat ze mechanisch vergrendeld hoeven te worden.
De binnendeuren mogen slechts korte tijd geopend blijven om een temperatuurstijging in de binnenruimte van de ultra-diepvrieskast te vermijden. De openingshoek van de binnendeuren mag maximaal 100° bedragen.
Voor de extra warmte-isolatie en afdichting van de binnenste compartimentdeuren is er nu de nieuwe optie ‘compartimentdeuren, geïsoleerd’. Hiertoe worden de compartimentdeuren met schuim gevuld en zodoende extra thermisch geïsoleerd.
Pagina 26
3. Leveringsomvang, transport, opslag en opstelling
3.1 Uitpakken, controle, leveringsomvang
Controleer het apparaat en eventuele optionele accessoires na het uitpakken aan de hand van de pakbon op volledigheid en eventuele transportschade. Transportschade moet onmiddellijk aan de vervoerder worden gemeld.
VOORZICHTIG
Gevaar voor verwondingen en beschadigingen door glijden of kantelen van het apparaat bij ondeskundig heffen.
Verwondingen, beschadiging van het apparaat.
∅ Til het apparaat NIET op aan de deur, de afsluit- en regelaarbehuizing of de onderste behuizingsafdekking.
∅ Til het apparaat NIET met de hand op.
∅ Vervoer het apparaat indien mogelijk NIET liggend. ALLEEN op de scharnierkant of achterkant mag het liggend getransporteerd worden, maar moet dan vóór het inschakelen minimaal 24 uur rechtop staan.
- Til het apparaat met technische hulpmiddelen (vorkheftruck) van de pallet. Plaats de vorkheftruck aan de zijkant of van achteren in het midden van het apparaat. Alle dwarsbalken moeten op de vork liggen (controle: vork steekt aan de tegenoverliggende kant naar voren).
- Draag geschikte schoenen (veiligheidsschoenen).
Vanwege de eindtest van de nieuwe apparaten zijn sporen van de planken aan de binnenkant van de ketel mogelijk. Deze beïnvloeden de werking van het apparaat niet.
Verwijder alle transportbeveiligingen en lijmen in en op het apparaat en de deuren en haal de gebruiksaanwijzingen en het bijgevoegde materiaal uit de binnenruimte.
Verwijder eventuele beschermfolie van de inwendige metalen oppervlakken voordat u het apparaat in gebruik neemt.
Na het transport met technische hulpmiddelen (hoofdstuk 3.2.2) tot aan de inbedrijfstelling minimaal 8 uur wachten.
Mocht terugzending nodig zijn, gebruik dan de originele verpakking en leef de aanwijzingen voor veilig transport na (hoofdstuk 3.2).
Afvoeren van de transportverpakking, zie hoofdstuk 25.1.
Leveringsomvang
- Ultra-diepvrieskast SUFsg
- Drie planken en twaalf plankdragers met zes bouten
- Stekker voor de potentiaalvrije alarmuitgang (aangesloten)
- Set met twee apparaatafstandhouders
- Gebruiksaanwijzing (set)
- Wateraansluitkit bij apparaten met waterkoeling
Pagina 27
3.2 Aanwijzingen voor veilig transport
3.2.1 Verplaatsen van de ultra-diepvrieskast binnen een gebouw
Ontgrendel de remmen van de voorste wieltjes van het apparaat voordat u het apparaat verplaatst. De wielen van het apparaat zijn uitsluitend geschikt voor verplaatsing binnen een gebouw. Dit mag uitsluitend plaatsvinden op een voegloze ondergrond (dus geen tegels) en met vermijding van schokken. Daarbij mag het apparaat ook beladen zijn (maximaal belading, zie Technische gegevens, hoofdstuk 26.3).
Wanneer het apparaat over grotere deurdrempels of in een lift moet worden geschoven om bijvoorbeeld naar een andere etage te worden verplaatst, moet u het apparaat leegmaken en alle planken op de bodem van de binnenruimte leggen.
Wordt het apparaat hierbij onder een hoek van 5° gekanteld, dan kan het na het verplaatsen (op zijn vroegst 10 minuten na het uitschakelen) direct weer worden ingeschakeld. Anders moet u ten minste 8 uur wachten voordat u het apparaat weer in gebruik neemt.
Zet de voorste wieltjes van het apparaat op de rem zodra het apparaat stilstaat.
Draag bij het verplaatsen van het apparaat geschikte schoenen (veiligheidsschoenen).
Verplaatsen over zeer korte afstanden (binnen het bereik van de stroomkabel) is mogelijk terwijl het apparaat in bedrijf is.
Wanneer het apparaat wordt uitgeschakeld (uitschakelen met de hoofdschakelaar, de netstekker uit het stopcontact trekken), moet u na het verplaatsen van het apparaat 10 minuten wachten voordat u het weer inschakelt, om beschadigingen aan de koelmachine te vermijden.
LET OP
Gevaar voor schade aan het koelsysteem door te snel opnieuw starten van de koelmachine na een verplaatsing.
Beschadiging van het apparaat.
- Wacht na het verplaatsen 10 minuten voordat u de ultra-diepvrieskast weer inschakelt.
Om het apparaat door nauwe punten (deuren, smalle gangen) te verplaatsen, opent u de deur van het apparaat:
Afbeelding 11: SUFsg met geopende apparaatdeur
Gebruik voor het transport buiten een gebouw technische hulpmiddelen (hoofdstuk 3.2.2).
Pagina 28
3.2.2 Transport buiten een gebouw
Ontgrendel de remmen van de voorste wieltjes van het apparaat voordat u het apparaat verplaatst. De apparaatwieltjes zijn alleen geschikt voor verplaatsing binnen een gebouw (let op de aanwijzingen in hoofdstuk 3.2.1).
Als het apparaat in bedrijf was, leef dan de aanwijzingen voor het tijdelijk buiten bedrijf stellen (hoofdstuk 25.2) na.
VOORZICHTIG
Gevaar voor verwondingen en beschadigingen door uitglijden of kantelen van het apparaat bij ondeskundig transport.
Verwondingen, beschadiging van het apparaat.
∅ Til of transporteer het apparaat NIET aan de deur, de afsluit- en regelaarbehuizing of de onderste behuizingsafdekking.
∅ Til het apparaat NIET met de hand op.
∅ Vervoer het apparaat indien mogelijk NIET liggend. ALLEEN op de scharnierkant of achterkant mag het liggend getransporteerd worden, maar moet dan vóór het inschakelen minimaal 24 uur rechtop staan.
- Vervoer het apparaat uitsluitend in de originele verpakking
- Zet het apparaat voor het transport vast met transportriemen.
∅ Leg de planken op elkaar op de bodem van de binnenruimte.
∅ Plaats het apparaat met technische hulpmiddelen (vorkheftruck) op de transportpallet. Plaats de vorkheftruck aan de zijkant of van achteren in het midden van het apparaat. Alle dwarsbalken moeten op de vork liggen (controle: vork steekt aan de tegenoverliggende kant naar voren).
- Vervoer het apparaat uitsluitend op de originele transportpallet. Pompwagen UITSLUITEND met pallet plaatsen. Zonder pallet bestaat er acuut kantelgevaar ∅ Draag geschikte schoenen (veiligheidsschoenen).
- Toelaatbare omgevingstemperatuur voor transport: -20 °C tot +60 °C.
U kunt bij de servicedienst van de fabrikant verpakkingen en pallets voor transportdoeleinden aanvragen.
Draag tijdens het transport van het apparaat geschikte schoenen (veiligheidsschoenen).
Wacht na het transport minimaal 8 uur voordat u het apparaat in gebruik neemt.
Pagina 29
3.3 Opslag
Tussentijdse opslag van het apparaat in een gesloten en droge ruimte. Leef de aanwijzingen voor het tijdelijk buiten bedrijf stellen na (hoofdstuk 25.2).
- Toelaatbare omgevingstemperatuur bij opslag: -20 °C tot +60 °C.
- Toegestane omgevingsvochtigheid: maximaal 70% r.v., niet condenserend
Beveilig het apparaat tegen abusievelijk wegrollen door de voorste wieltjes op de rem te zetten.
De ultra-diepvrieskast moet rechtop staan om morsen van olie uit de motorbehuizing en daarmee schade aan het koelsysteem te vermijden. Maximale hellingshoek: 10°.
Wanneer het apparaat na opslag in een koude omgeving voor inbedrijfstelling naar de opstellocatie wordt gebracht, kan er condensvorming in de omgeving van het interieur en aan de behuizing optreden. Wacht minstens 1 uur voordat u het apparaat inschakelt, totdat het op kamertemperatuur is en helemaal droog is. Afhankelijk van het soort transport dat heeft plaatsgevonden (hoofdstuk 3.2) moet u eventueel minstens 8 uur wachten tot u het apparaat in bedrijf stelt.
3.4 Installatielocatie en omgevingscondities
De ultra-diepvrieskast is bestemd voor opstelling in gesloten ruimten. Plaats het apparaat op een goed geventileerde, droge plaats en op een vlakke trillingsvrije ondergrond. Zet de remmen van de voorste apparaatwieltjes vast en lijn het apparaat uit met een waterpas. De opstellocatie moet draagkrachtig zijn voor het gewicht van het apparaat (zie technische gegevens, hoofdstuk 26.3).
LET OP
Gevaar voor oververhitting door gebrekkige ventilatie.
Beschadiging van het apparaat.
- Plaats het apparaat NIET in niet-geventileerde nissen.
- Zorg ervoor dat er voldoende ventilatie is voor de warmte-afvoer.
- Zorg ervoor dat alle ventilatieopeningen in de behuizing of in de voor de inbouw voorziene constructie vrij zijn van afdekkingen.
- Houd bij de opstelling de voorgeschreven minimale afstanden aan.
LET OP
Gevaar voor het milieu door lekkage van koelmiddel in geval van een defect apparaat.
Milieuschade.
- Zorg voor voldoende ontluchting op de opstellocatie.
- Toelaatbare omgevingstemperatuur: +16 °C tot +32 °C. Bij hoge kamertemperaturen kunnen temperatuurschommelingen optreden.
De omgevingstemperatuur mag niet significant hoger zijn dan de aangegeven omgevingstemperatuur van +22 +/- 3 °C, waarop de technische gegevens betrekking hebben. Bij afwijkende omgevingsomstandigheden zijn andere gegevens mogelijk.
Vermijd dat de ultra-diepvrieskast warme lucht van andere apparaten aanzuigt.
Vermijd direct zonlicht op het apparaat. Plaats het apparaat niet in de directe omgeving van apparaten met een hoge warmtestraling.
- Toegestane omgevingsvochtigheid: maximaal 70% r.v., niet condenserend
- Opstelhoogte maximaal 2000 m boven NAP.
Pagina 30
Minimale afstanden:
- tussen meerdere apparaten: 250 mm
- afstand tot muur erachter: 100 mm (afstandhouder meegeleverd, hoofdstuk 4.2)
- afstand tot de wand aan de zijkant zonder deuraanslag (kant zonder scharnieren): 100 mm
- Afstand tot de wand aan de zijkant van de deuraanslag (scharnierkant): 240 mm.
- boven het apparaat: 100 mm
Ventilatiegaten mogen niet worden geblokkeerd. Houd een afstand van minstens 100 mm aan tot de ventilatieopeningen aan de voor- en achterkant van de ultra-diepvrieskast.
De ultra-diepvrieskast moet rechtop staan om morsen van olie uit de motorbehuizing en daarmee schade aan het koelsysteem te vermijden. Maximale hellingshoek: 10°.
Trek de stekker uit het stopcontact om het apparaat volledig te scheiden van het elektriciteitsnet. Plaats het apparaat zo dat de apparaatstekker goed toegankelijk is en bij gevaar gemakkelijk kan worden uitgetrokken.
Bij het optreden van verhoogde hoeveelheden stof in de omgevingslucht moet de condensorventilator meerdere keren per jaar worden gereinigd (afzuigen of doorblazen). Condensatorluchtfilter vaker controleren en eventueel reinigen (hoofdstuk 24.2.1).
In de omgeving mag geen geleidend stof aanwezig zijn, conform de configuratie van het apparaat volgens vervuilingsgraad 2 (IEC 61010-1).
Voor de gebruiker bestaat er geen gevaar door tijdelijke overspanningen in de zin van de norm EN 61010- 1:2010.
Het apparaat mag NIET in explosiegevaarlijke ruimten opgesteld en gebruikt worden.
GEVAAR
Explosiegevaar door brandbaar stof of explosieve mengsels in de omgeving van het apparaat.
Ernstig letsel of de dood door brandwonden en / of explosiedruk.
∅ Zorg ervoor dat er zich GEEN brandbaar stof of oplosmiddel-luchtmengsels in de omgeving van het apparaat bevinden.
- Plaats het apparaat uitsluitend buiten explosiegevaarlijke gebieden.
Voor apparaten met waterkoeling:
Om eventuele waterschade te vermijden, moet het apparaat op een aflopende vloer worden plaatsen. De opstellocatie moet zo gekozen worden dat vervolgschade door spatwater vermeden wordt.
Pagina 31
4. Installatie en aansluitingen
4.1 Gebruiksaanwijzing
Afhankelijk van de gebruikswijze en de opstellocatie wordt geadviseerd dat de ondernemer (exploitant van het apparaat) in een gebruiksaanwijzing de gegevens voor een veilig gebruik van het apparaat vastlegt.
De gebruiksaanwijzing in begrijpelijke vorm en in de taal van de medewerkers, op de opstellocatie zichtbaar en duurzaam aanbrengen.
4.2 Apparaatafstandhouder
Monteer de beide apparaatafstandhouders met de meegeleverde bouten aan de achterkant van het apparaat. Hierdoor wordt de voorgeschreven wandafstand naar achteren van minimaal 100 mm gegarandeerd.
Afbeelding 12: Apparaatafstandhouder
Afbeelding 13: Achterkant van de ultra-diepvrieskast met gemonteerde apparaatafstandhouders
4.3 Steunvoeten (alleen SUSsg 3501)
Om kantelen te voorkomen is het noodzakelijk om na het opstellen van het apparaat de steunvoeten aan de voorzijde onder de deur naar beneden te draaien.
Zorg ervoor dat u de twee steunvoeten weer omhoog draait voordat u het apparaat verplaatst.
Pagina 32
4.4 In hoogte verstelbare planken
Standaard worden drie in hoogte verstelbare planken geleverd. Deze en andere, optioneel verkrijgbare planken kunnen in verschillende posities in stappen van 24 mm worden bevestigd. Op de standaardpositie op 310 mm afstand vormen de planken de bodem van de compartimenten, zodat de maximale ruimte van het compartiment voor optionele inventarissystemen beschikbaar is.
De in hoogte verstelbare planken moeten worden vastgeschroefd, zodat niemand in de ultra-diepvrieskast kan worden ingesloten. Om de planken te verwijderen, verwijdert u de schroeven, tilt u de planken op en zet u ze schuin. Trek ze er vervolgens naar voren toe uit.
Bevestiging van de in hoogte verstelbare planken:
- Plaats de plankdragers op de gewenste hoogte in de inschuifbare geleiders.
- Planken plaatsen en met een kruiskopschroevendraaier aan de plankdragers vastschroeven
Afbeelding 14: Plaats de plankdrager en schroef de plaatsen vast met de plankdragers
Pagina 33
Voor een optimaal gebruik van de ruimte adviseren wij de volgende plaatsing van de planken:
| Rangschikking van drie planken voor vier compartimenten met dezelfde hoogte | Rangschikking van vier planken (1 x optioneel) voor vijf compartimenten met dezelfde hoogte | Rangschikking van drie planken voor maximaal aantal monsters: twee compartimenten met een hoogte van 334 mm en twee compartimenten met een hoogte van 279 mm |
| Houders van de planken in de volgende posities van de plankdraagrails (van onderen) plaatsen: 18, 35, 53 | Houders van de planken in de volgende posities van de plankdraagrails (van onderen) plaatsen: 13, 29, 42, 58 | Houders van de planken in de volgende posities van de plankdraagrails (van onderen) plaatsen: 21, 36, 53 |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 33)
Toegestane belasting van de planken:
| Grootte apparaat | SUFsg 3501 | SUFsg 5001 | SUFsg 7001 |
|---|---|---|---|
| Toegestane belasting van een standaard plank | 40 kg | 50 kg | 50 kg |
| Toelaatbare totale belasting van alle standaard planken | 160 kg | 200 kg | 200 kg |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 33)
Als het bovenste element maximaal wordt belast, moet een afstand van minstens 24 cm tot het plafond van de binnenruimte worden aangehouden. Het element mag daarom niet hoger dan in positie 59 (van onderen) van de inschuifdraagrails worden ingezet.
Pagina 34
4.5 Koelwateraansluitingen voor apparaten met waterkoeling
Waterkoeling verlaagt de warmte die tijdens het koelen aan de omgevingslucht wordt afgegeven. Een bijverpakking binnenin het apparaat bevat de aansluitkit voor de koelwatertoevoer en koelwaterafvoer.
‘OUT’ ‘IN’
Afbeelding 15: Koelwateraansluitingen aan de achterkant van het apparaat (apparaten met waterkoeling), (voorbeeld SUFsg 7001,H72)
‘IN’ -aansluiting voor koelwatertoevoer met buitendraad 3/4” en binnendraad 3/8” ‘OUT’ -aansluiting voor koelwaterafvoer met buitendraad 3/4” en binnendraad 3/8”
4.5.1 Aansluiting koelwaterafvoer voor waterkoeling
Bevestig de koelwaterslang 1/2‘' op de aansluiting voor de koelwaterafvoer 'OUT' aan de achterkant van het apparaat. Hierbij moet op de volgende punten worden gelet:
- Een deel van de meegeleverde waterslang kan worden gebruikt voor de koelwaterafvoer. Bij gebruik van een andere slang moet deze langdurig een temperatuur van maximaal 50 °C kunnen verdragen, en bestand zijn tegen een druk van maximaal 10 bar.
- Plaats de slang op het slangaansluitstuk met schroefverbinding en borg de slang met een van de vier meegeleverde slangklemmen. Verbind het slangaansluitstuk met aansluiting 'OUT' en schroef de wartelmoer erop.
- Wij adviseren voor de slangaansluiting op de wateraansluiting van de klant, ook de meegeleverde slangaansluitstukken met schroefkoppeling te gebruiken en met een van de vier meegeleverde slangklemmen te borgen.
- Controleer de aansluiting op lekkage voordat u het apparaat inschakelt.
De temperatuur van het wegstromende koelwater bedraagt afhankelijk van het apparaat 27 °C tot 29 °C.
Pagina 35
4.5.2 Aansluiting koelwatertoevoer voor waterkoeling
Voordat de koelwatertoevoer wordt aangesloten, moet de koelwaterafvoer zijn aangesloten.
Vereisten voor het gebruikte koelwater:
- Watertype: koelwater, klimaatregeling-water of leidingwater
- Toevoertemperatuur: 8 °C tot 23 °C
- pH-waarde: 4 tot 8
- Waterhardheid: maximaal 8,0° dH (Duitse hardheid) = 1,4285 mmol/l.
- Deeltjesgrootte < 100 µm
- Aansluitdruk van 1 bar tot 10 bar overdruk
- Drukverschil tussen toevoer en afvoer: minimaal 0,2 bar, aanbevolen 0,5 bar. Hogere drukverschillen kunnen stromingsgeluiden veroorzaken.
- De toevoerleiding voor de toevoer en afvoer moet over een schuifklep of waterkraan beschikken.
- Retourtemperatuur: 27 °C tot 29 °C (fabrieksinstelling voor SUFsg-regelklep) Waterbehoefte:
- gemiddeld 10-50 l/u, afhankelijk van de toevoertemperatuur
- kortstondig (maximaal 2 minuten) tot 400 l/u
De fabrikant is niet verantwoordelijk voor de waterkwaliteit bij de klant.
Voor problemen en storingen als gevolg van afwijkende waterkwaliteit aanvaardt de fabrikant geen aansprakelijkheid. Dit geldt in het bijzonder voor een te hoog deeltjesgehalte, wat kan leiden tot blokkering van de waterdebietregelklep.
Bij gebruik van water van een afwijkende kwaliteit vervalt de garantie.
Bevestig de koelwaterslang 1/2‘' op de aansluiting 'IN' aan de achterkant van het apparaat. Hierbij moet op de volgende punten worden gelet:
- Een deel van de meegeleverde waterslang kan worden gebruikt voor de koelwatertoevoer. Bij gebruik van een andere slang moet deze bestand zijn tegen een druk tot 10 bar.
- Plaats de slang op het slangaansluitstuk met schroefverbinding en borg de slang met een van de vier meegeleverde slangklemmen. Verbind het slangaansluitstuk met aansluiting 'IN' en schroef de wartelmoer erop.
- Wij adviseren voor de slangaansluiting op de wateraansluiting van de klant, ook de meegeleverde slangaansluitstukken met schroefkoppeling te gebruiken en met een van de vier meegeleverde slangklemmen te borgen.
- Controleer de aansluiting op lekkage voordat u het apparaat inschakelt.
De watertoevoer vindt automatisch plaats via de wateraansluiting 'IN'.
4.5.3 Aansluitkit voor koelwater
De ultra-diepvrieskast met waterkoeling wordt geleverd met een aansluitkit. De kit bestaat uit:
- Slangscheurbeveiliging
- Vier slangaansluitstukken met schroefkoppeling (wartelmoer)
- Vier slangklemmen
- 6m waterslang 1/2'', deelbaar voor toe- en afvoer, toegelaten voor maximaal 15 bar, maximaal 95 °C
Pagina 36
Beschermingsprincipe van de slangscheurbeveiliging
De slangscheurbeveiliging dient ter bescherming tegen overstromingen door gescheurde waterslangen. Deze is bedoeld voor het gebruik van het apparaat op een tapwaterleiding. Als het apparaat aan een circuit van koel- of klimaatregelingwater wordt gebruikt, moet door de gebruiker worden gecontroleerd of de slangscheurbeveiliging voldoende bescherming biedt. Dit hangt vooral af van een voldoende gemiddelde druk in het systeem.
Bij een sterke waterstroom vanaf ongeveer 18 l/min, veroorzaakt bijvoorbeeld door een gescheurde waterslang tussen de waterkraan en het apparaat, sluit direct een klep. Het sluiten is hoorbaar door een klikgeluid. Het aftappen van water is nu tot aan het ontgrendelen van de slangscheurbeveiliging met de hand onderbroken.
Montage:
Schroef de slangscheurbeveiliging rechtsom op een waterkraan met G¾” buitendraad. De aansluiting is zelfdichtend. Met behulp van een deel van de meegeleverde slang verbind u de aansluitkit en het apparaat. Maak beide slangkanten vast met behulp van de meegeleverde slangklemmen.
Steek de slang als laatste erop om te vermijden dat de slang tijdens het vastschroeven van de veiligheidskit verdraait.
Draai de waterkraan nu langzaam open om te vermijden dat de slangscheurbeveiliging wordt geactiveerd.
Afbeelding 16: Montage van de aansluitkit
Ontgrendeling van de slangscheurbeveiliging:
Als de watertoevoer door de slangscheurbeveiliging is onderbroken, moet de oorzaak worden gevonden en eventueel worden verholpen. De waterkraan moet worden gesloten. Door een halve slag van het geribbelde deel naar links te draaien, wordt de klep ontgrendeld, wat herkenbaar is aan een klikgeluid. Dicht vervolgens het geribbelde deel door rechtsom draaien weer af tegen de waterkraan en open de waterkraan weer langzaam.
Onderhoud en controle van de slangscheurbeveiliging:
Kalkaanslag kan de werking van de klep nadelig beïnvloeden. Wij adviseren een jaarlijkse inspectie door een installateur. Deze moet de slangscheurbeveiliging demonteren en de klep met de hand controleren op werking en kalkaanslag of verstopping.
LET OP
Gevaar voor belemmering van de werking van de klep door kalkafzetting.
Beschadiging van het apparaat.
- Zorg dat een installateur de klep jaarlijks inspecteert.
- Verwijder kalkaanslag door de klep in azijnwater of citroenzuur te leggen
- Controleer vervolgens de werking en dichtheid van de gemonteerde eenheid
Verificatie: Snel opendraaien van de waterkraan bij een niet aangesloten apparaat: de klep van de slangscheurbeveiliging moet onmiddellijk sluiten.
Pagina 37
4.6 Elektrische aansluiting
Ultra-diepvrieskasten SUFsg worden kant-en-klaar geleverd. Ze zijn voorzien van een koelapparatuurstekker.
De ultra-diepvrieskast is beveiligd tegen overstroom met een interne installatieautomaat.
| Model | Stekker van het snoer | Nominale spanning +/-10% b aangegeven netfrequentie | Stroomsoort | Zekering |
|---|---|---|---|---|
| SUFsg 3501,001 SUFsg 5001,001 SUFsg 7001,001 SUFsg 5001,H72 SUFsg 7001,H72 | Veiligheidsstekker | 230 V bij 50 Hz | 1N~ | 10 A |
| SUFsg 3501,137 SUFsg 5001,137 SUFsg 7001,137 | NEMA 5-15P | 115 V bij 60 Hz | 1N~ | 15 A |
| SUFsg 5001,123 SUFsg 7001,123 | NEMA 6-15P | 208-230 V bij 60 Hz | 2~ | 10 A |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 37)
- Het stopcontact van de klant moet ook een randaarde hebben. Zorg ervoor dat de aansluiting van de randaarde van de huisinstallatie naar de randaarde van het apparaat aan de laatste stand van de techniek voldoet. De randaarde van het stopcontact en de stekker moeten compatibel zijn!
GEVAAR
Gevaar voor elektrische schok door ontbrekende randaarde-aansluiting. Dodelijke elektrische schok.
- Zorg ervoor dat de netstekker en het stopcontact bij elkaar passen en dat de elektrische randaarde van het apparaat en de huisinstallatie goed met elkaar zijn verbonden.
- Gebruik uitsluitend originele aansluitkabels.
UL-apparaten: Gebruik alleen een UL-goedgekeurd netsnoer (UL-categorie ELBZ), SJT 3x14 AWG (2,08 mm²). C13L. Gebruik buiten de Verenigde Staten een gecertificeerd netsnoer dat voldoet aan de nationale vereisten
- Controleer de netspanning voordat u het apparaat aansluit en voor de eerste keer in gebruik neemt.
Vergelijk de waarden met de gegevens op het typeplaatje van het apparaat (linkerkant van het apparaat, rechtsonder, hoofdstuk 1.6).
LET OP
Gevaar voor verkeerde netspanning door ondeskundige aansluiting. Beschadiging van het apparaat.
- Controleer de netspanning voordat u het apparaat aansluit en in gebruik neemt.
- Vergelijk de netspanning met de gegevens van het typeplaatje.
- Zorg voor een voldoende stroombeveiliging in overeenstemming met het aantal ultra-diepvrieskasten dat moet worden gebruikt. Het gebruik van een aardlekschakelaar wordt aanbevolen.
- Leef de lokale en nationale wet- en regelgeving inzake elektriciteit na bij het aansluiten.
- Verontreinigingsgraad conform IEC 61010-1: 2
- Overspanningscategorie conform IEC 61010-1: II
Zie ook elektrische gegevens (hoofdstuk 26.3).
Trek de stekker uit het stopcontact om het apparaat volledig te scheiden van het elektriciteitsnet. Plaats het apparaat zo dat de apparaatstekker goed toegankelijk is en bij gevaar gemakkelijk kan worden uitgetrokken.
Pagina 38
5. Functioneel overzicht van de apparaatregelaar
De apparaatregelaar regelt de temperatuur in de binnenruimte van het apparaat.
De gewenste temperatuur kan op de regelaar worden ingevoerd in het menu “Set points” ‘Gewenste waarden’.
De regelaar biedt een aantal status- en alarmmeldingen met visuele en akoestische signalen. Alle regelaarinstellingen blijven geldig tot aan de volgende handmatige wijziging. Ook na het uitschakelen van het apparaat blijven deze opgeslagen.
Statuspictogrammen
Temperatuurwaarde
Temperature Informatietekst
Afbeelding 17: Apparaatregelaar, gangbare weergave (voorbeeldwaarden)
Statuspictogrammen
| Pictogram | Betekenis | Pictogram | Betekenis |
|---|---|---|---|
| Apparaat koelt | Toont de speciale regelaarfuncties die zijn ingeschakeld. 1 = CO2 noodkoeling geactiveerd 2 = noodkoeltest ingeschakeld 3 = gewenste servicewaarde actief | ||
| Deur niet openen | |||
| Deur open | |||
| Informatie | Algemeen alarm |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 38)
| op het | regelaarscherm | |
|---|---|---|
| Functietoetsen van de regelaar | ||
| Toets | Betekenis | Functie |
| Pijl-omhoogtoets | • Schakelen tussen menu's, submenu's en andere functies • In het instelmenu: Instelling wijzigen, waarde verhogen | |
| Pijl-omlaagtoets | • Schakelen tussen menu's, submenu's en andere functies • In het instelmenu: Instelling wijzigen, waarde verlagen | |
| OK-toets | • Menu, submenu, functies selecteren • In het instelmenu: Invoer bevestigen | |
| Terug-toets | Terug naar het vorige menuniveau | |
| Stand-by-toets | geen functie | |
Pagina 39
5.1 Menustructuur van de regelaar en bevoegdheidsniveaus
Vanuit de gangbare weergave kunt u met de pijltjestoetsen tussen de menu's navigeren.
Met de OK-toets gaat u naar de andere subfuncties van de menu's.
Druk op de Terug-toets om terug te keren naar de vorige functie en dan naar de gangbare weergave. De beschikbare functies zijn afhankelijk van de actuele bevoegdheid ‘User’, ‘Admin’ of ‘Service’, waarvoor afhankelijk van de instelling een wachtwoord nodig kan zijn.
Er kunnen wachtwoorden voor verschillende toegangsniveaus worden ingesteld:
- User: Het wachtwoord geeft toegang tot de standaard bedieningsfuncties. Fabrieksinstelling: 00 00 (geen wachtwoord toegekend).
- Admin: Het wachtwoord geeft toegang tot uitgebreidere regelaarfuncties en instellingen. Fabrieksinstelling: 00 01.
- Service: het wachtwoord geeft toegang tot alle regelaarfuncties (uitsluitend voor service). Zodra een wachtwoord is ingesteld, is de toegang tot de betreffende regelaarfuncties geblokkeerd en pas weer beschikbaar nadat het wachtwoord is ingevoerd.
| Menu | Vereiste bevoegdheid | Functies |
|---|---|---|
| Setpoints (Gewenste waarden) | 'User' | • Instelling gewenste temperatuur • Instelling gewenste CO2 noodkoeling (optie) • Instelling van de bewakingsregelaar • Activering / deactivering van de CO2 noodkoeling (optie) en de gewenste servicewaarde, test van de CO2 noodkoeling (optie) |
| Chamber info (Apparaatinfo) | Elke gebruiker | • Schermfuncties (configuratie-informatie, regelaarhardware en -software, analoge ingangen) • Weergave van de accustatus (alarminstallatie met reserveaccu) • Weergave van de interfaceconfiguratie (bijvoorbeeld MAC-adres, IP-adres) |
| Settings (Instellingen) | 'Admin' | • Algemene regelaarinstellingen (datum, tijd, menutaal, temperatuureenheid, schermhelderheid...) • Netwerkinstellingen • Instellingen van het geheugeninterval voor gegevensschrijver • Instelling van de alarmgrens voor het bandalarm en de wachttijd voor deur-open-alarm en bandalarm, instelling van de gewenste servicewaarde • Wachtwoordwijziging voor User en Admin |
| Service | ‘Service’ | • Configuratie-instellingen (uitsluitend voor service) • Wachtwoordwijziging voor User en Admin |
| USB (zichtbaar bij het plaatsen van een USBstick) | Export: Elke gebruiker Import: 'Admin' | • Configuratie-, schrijver- en servicegegevens exporteren • Configuratiegegevens importeren |
Pagina 40
Tenzij anders vermeld, tonen de afbeeldingen in deze handleiding de functies die beschikbaar zijn voor gebruikers met “Admin” beheerdersrechten.
Let op: Bij de vermelding van het pad naar de betreffende functie wordt de eventueel vereiste invoer van een wachtwoord niet vermeld.
6. Inbedrijfstelling
Wacht na het transport minimaal 8 uur voordat u het apparaat in gebruik neemt.
Controleer of de binnenruimte van de ultra-diepvrieskast leeg is. Voordat u een nieuw apparaat in gebruik neemt of als u het laatste gebruik van het apparaat niet kent, moet u de binnenruimte hygiënisch reinigen en desinfecteren (hoofdstuk 23).
Na het aansluiten van de voedingsleidingen het apparaat met de hoofdschakelaar (4) inschakelen (stand 1). De gereedheidsindicator brandt.
De regelaar toont de gangbare weergave en regelt de temperatuur op de laatst ingevoerde gewenste waarde.
6.1 Fabrieksinstellingen
Het apparaat wordt geleverd met de volgende instellingen, die in de betreffende menu's kunnen worden gewijzigd:
| Gewenste temperatuur | -80 °C |
|---|---|
| Bewakingsregelaar | Soort gewenste waarde 'Limit' -65 °C |
| Maximaal toegestane onder- of overschrijding van de gewenste temperatuur als alarmgrens voor bandalarm | +/- 5 K |
| Wachttijd alarm na openen deur | 1 minuut |
| Wachttijd alarm na verlaten alarmgrens voor bandalarm (Bandalarm wordt pas geactiveerd nadat de deur is geopend en het apparaat is ingeschakeld als de gewenste waarde is bereikt) | 60 minuten |
| Wachtwoord voor de bevoegdheid 'User' | 0 (geen blokkering) |
| Wachtwoord voor de bevoegdheid 'Admin' | 1 |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 40)
6.2 Gedrag na inschakelen van het apparaat
Tijdens de afstelfase gedurende ongeveer 8 uur na het inschakelen van het apparaat treden ongedefinieerde toestanden van de temperatuur in het interieur op. Apparaat in deze tijd niet met monstermateriaal vullen.
LET OP
Gevaar voor temperatuurschommelingen.
Vernietiging van monstermateriaal.
- Laad het apparaat pas na het instellen van de temperatuur.
LET OP
Storing van de deurbesturing afhankelijk van het tijdstip van de dag. Langere tijd tot de deur weer open gaat.
- Stel de juiste datum en tijd in op de controller.
Pagina 41
Als de functie ‘Language selection at restart’ (Taalkeuze na opnieuw starten) is geactiveerd (hoofdstuk 12.5, fabrieksinstelling: AAN), worden na het inschakelen van het apparaat de volgende instellingen opgevraagd:
- Menutaal (hoofdstuk 12.1):
Selecteer de gewenste taal met de pijltjestoetsen en bevestig met de OK-toets
- Temperatuureenheid (hoofdstuk 12.2):
Selecteer de gewenste temperatuureenheid met de pijltjestoetsen, en bevestig uw keuze met de OKtoets
- Huidige datum (hoofdstuk 12.3), formaat DD MM JJJJ:
Stel de dag in met de pijltjestoetsen en ga verder met de OK-toets.
Stel de maand in met de pijltjestoetsen en ga verder met de OK-toets.
Stel het jaar in met de pijltjestoetsen en bevestig met de OK-toets
- Actuele tijd (hoofdstuk 12.4), formaat HH:MM:
Stel de uren in met de pijltjestoetsen en ga verder met de OK-toets.
Stel de minuten in met de pijltjestoetsen en bevestig met de OK-toets.
Stel op de regelaar de gewenste temperatuur in (hoofdstuk 7) waarmee de ultra-diepvrieskast moet werken.
Zolang de weergegeven werkelijke waarde en de gewenste waarde op het display niet overeenstemmen, is een correcte werking van het apparaat niet gewaarborgd.
7. Gewenste waarde voor temperatuur invoeren
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Instel- en regelbereik: -40 °C tot -90 °C
Voor het instellen van een lagere gewenste waarde voor testdoeleinden of voor afstellen kan een gewenste servicewaarde worden ingevoerd en geactiveerd (hoofdstuk 19). Deze instelling valt buiten het regelbereik en is niet bedoeld voor gangbaar bedrijf.
Pad: Gangbare weergave Setpoints Temperature
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Temperatuurinstelling
De huidige instelling knippert. Voer de gewenste waarde in met behulp van de pijltjestoetsen.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Temperature
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Setpoints' (Gewenste waarden) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
In de bewakingsregelaarmodus ‘Limit’ (Grenswaarde) moet de bewakingsregelaar opnieuw worden ingesteld telkens als de gewenste temperatuur wordt gewijzigd. Stel de waarde van de bewakingsregelaar in op ongeveer 15 °C boven de gewenste temperatuurwaarde van de regelaar (hoofdstuk 11).
Aanbevolen instelling: Bewakingsregelaarmodus ‘Offset’ met bewakingsregelaarwaarde 15 °C.
Plaats geen monsters in de ultra-diepvrieskast voordat deze met stabiele binnentemperatuur draait: De inregeltijd van de temperatuur tot -80 °C bedraagt ongeveer 3 uur (SUFsg 3501) / ongeveer 6 uur (SUFsg 5001) / ongeveer 7,5 uur (SUFsg 7001).
Pagina 42
7.1 Handmatige offset instellen
Uit een ruimtelijke temperatuurmeting blijkt dat het gebied waarin alle temperatuurwaarden zich bevinden niet symmetrisch is ten opzichte van de gewenste waarde: het gemiddelde van dit temperatuurbereik wijkt in positieve of negatieve richting af van de actuele gewenste waarde.
Indien gewenst kan de afwijking van de gemiddelde waarde van het ruimtetemperatuurbereik van de gewenste waarde worden gecompenseerd door het instellen van een handmatige offsetwaarde. Deze handmatige offsetwaarde wordt opgeteld bij of afgetrokken van de gewenste waarde en resulteert in een nieuw werksetpoint voor de regeling. De oorspronkelijke gewenste waarde blijft zichtbaar op het controllerdisplay.
Voorbeeld voor berekening:
Gewenste waarde: -80 °C
De grenswaarden van alle temperatuursensoren voor een ruimtelijke temperatuurmeting liggen hiertussen -81 °C en -77 °C, het gemiddelde van dit bereik is -79 °C
De afwijking van deze gemiddelde waarde ten opzichte van de ingevoerde streefwaarde bedraagt dus +1 K.
De instelwaarde voor de handmatige offset zou dan zijn: -1 K
Instelling:
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
Various Manual Offset
Pad: Gangbare weergave Settings
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
De handmatige offsetwaarde instellen.
De huidige instelling knippert. Voer de offsetwaarde in met behulp van de pijltjestoetsen. Invoerbereik: -6 K tot 6 K, Fabrieksinstelling: 0 K. Bevestig de invoer met de OK-toets.
Manual Offset
Met de pijl-omhoog-toets kunt u overschakelen naar de instelling van de gewenste servicewaarde (hoofdstuk 19.1).
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Various’ (Overig) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Pagina 43
8. Monsters opslaan in het apparaat
Voordat u kostbare monsters opslaat, moet u de ultra-diepvrieskast 10 dagen op de gewenste temperatuur laten draaien om transportschade te detecteren (bijvoorbeeld haarscheurtjes). Vervolgens kan de ultradiepvrieskast met de voorgekoelde monsters worden beladen.
WAARSCHUWING: bij apparaten die zonder toezicht permanent werken, raden wij in geval van opslag van niet-reproduceerbare monsters ten zeerste aan om monsters, indien mogelijk, te verdelen over ten minste twee apparaten.
Tijdens de inregelfase gedurende ongeveer 8 uur na het inschakelen van het apparaat treden ongedefinieerde toestanden van temperatuur in het interieur op. Apparaat in deze tijd niet met monstermateriaal vullen
LET OP
Gevaar voor temperatuurschommelingen.
Vernietiging van monstermateriaal.
- Laad het apparaat pas na het instellen van de temperatuur.
Wanneer er niet-voorgekoelde monsters in de ultra-diepvrieskast worden geplaatst, neemt de temperatuur in het interieur toe. Daarom moet het apparaat stapsgewijs worden beladen. Hoe meer warmte-energie er wordt geleverd, hoe langer het duurt voordat de gewenste temperatuur weer wordt bereikt.
De toelaatbare belasting per compartiment en de toelaatbare totale belasting mogen niet worden overschreden (zie hoofdstuk 26.3).
De interne oppervlakken van het apparaat worden tijdens het gebruik zeer koud. Draag altijd veiligheidshandschoenen wanneer u de ultra-diepvrieskast opent en materiaal plaatst of verwijdert.
VOORZICHTIG
Gevaar voor verwonding door bevriezing bij contact met koude onderdelen tijdens het gebruik.
Lokale bevriezingen.
∅ Raak tijdens het gebruik de binnenoppervlakken en de lading NIET direct aan. ∅ Vermijd huidcontact met interne oppervlakken en accessoires.
- Draag veiligheidshandschoenen bij het openen van de binnendeuren en bij het hanteren.
Na het sluiten van de buitendeur is opnieuw openen pas mogelijk na een wachttijd. Deze tijd is dynamisch afhankelijk van de duur sinds de laatste deuropening:
- meer dan 7 dagen sinds de laatste deuropening: 90 seconden wachttijd
- minder dan 7 dagen, maar meer dan 24 uur sinds de laatste deuropening: 70 seconden wachttijd
- minder dan 24 uur sinds de laatste deuropening: 30 seconden wachttijd
De wachttijd wordt op de regelaar op gangbare wijze weergegeven als een aftelling. Bovendien licht het informatiesymbool op en knippert het symbool 'Deur niet openen'.
Normale weergave tijdens wachttijd na het sluiten van de buitendeur (voorbeeld)
Wait 56s
Let op: Als de deur langere tijd (meer dan 5 dagen) niet is geopend, is het raadzaam om de deurafdichtingen en de inwendige opening van de drukcompensatieklep (I) ijsvrij te maken (hoofdstuk 24.2.3). Daarna kan de deur ook na kortere tijd zonder grotere krachttoepassing worden geopend)..
Pagina 44
9. Instelling van speciale regelaarfuncties
In het menu ‘Functions on/off’ (Functies aan/uit) kan de schakeltoestand van maximaal vier regelaarfuncties worden ingesteld.
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Functions on/off
Pad: Gangbare weergave Setpoints
Met de optie CO2 noodkoeling:
Pad: Gangbare weergave Setpoints
Functions on/off
De functies worden van links naar rechts weergegeven.
Voorbeeld: Functie 1 geactiveerd = 1000. Functie 1 gedeactiveerd = 0000.
Submenu ‘Functions on/off’ (Functies aan/uit).
In deze weergave worden de schakeltoestanden van de vier beschikbare functies weergegeven.
‘1’ = functie geactiveerd ‘0’ = functie gedeactiveerd
Functions on/off
Druk op de OK-toets om naar de eerste functie te gaan. Met de pijl-omlaag-toets gaat u naar de volgende functies.
Functies 1 en 2 zijn alleen beschikbaar op apparaten met de optie CO2 noodkoeling.
- Functie 1 ‘CO2 emer.cooling on/off’ (CO2 noodkoeling aan/uit): De CO2 noodkoeling activeren; hoofdstuk 20.3.2
- Functie 2 ‘CO2 cooling test on/off’ (Noodkoeltest aan/uit): De CO2 noodkoeling testdraaien, hoofdstuk 20.3.3
- Functie 3 ‘Service setpoint on/off’ (Gewenste servicewaarde aan/uit): Activeren van de gewenste servicewaarde, hoofdstuk 19.2
- Functie 4 is op dit apparaat niet in gebruik.
Druk op de OK-toets om de instelling van de gewenste functie te activeren en selecteer de schakeltoestand van de functie ‘1’ (functie ingeschakeld) of ‘0’ (functie gedeactiveerd).
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Functions on/off’ (Functies aan/uit) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de Gangbare weergave.
De gangbare weergave toont de geactiveerde functies door middel van een pictogram met het aantal betreffende functies.
Voorbeeld:
Gangbare weergave met geactiveerde functie 1 ‘CO2 emer.cooling on/off’ (CO2 noodkoeling aan/uit).
Temperature
De instellingen voor CO2 noodkoeling (optie) zijn beschreven in hoofdstuk 20.