Liebherr SUFsg 3501, tekst van de handleiding
Pagina's 45–66 van 112 · inhoud en begin van de handleiding · pdf
← pagina's 22–44verder op pagina 67 →
Pagina 45
10. Wachtwoord
10.1 Wachtwoord opvragen
Om toegang te krijgen tot menu's waarvoor een toegangsbeperking geldt, moet u het bijbehorende wachtwoord invoeren.
Na het oproepen van de betreffende menufunctie met de OK-toets verschijnt het wachtwoordverzoek.
Password
Wachtwoord opvragen.
De linker twee cijfers knipperen. Voer de gewenste cijfers in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Wachtwoord opvragen.
De rechter twee cijfers knipperen. Voer de gewenste cijfers in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Password
Bij het invoeren van een verkeerd wachtwoord verschijnt de melding ’Wachtwoord onjuist’
Weergave ' Wrong password' (Wachtwoord onjuist). Na 3 seconden schakelt de regelaar opnieuw over naar wachtwoordinvoer.
Voer het juiste wachtwoord in.
Wrong password
Na het invoeren van het juiste wachtwoord kunt u de gewenste menufunctie oproepen.
10.2 Wachtwoord invoeren / wijzigen
De wachtwoorden voor de toegangsbevoegdheden 'User' en 'Admin' kunnen in dit menu worden toegewezen en gewijzigd.
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
Pagina 46
10.2.1 User-wachtwoord invoeren / wijzigen
Password User
Pad: Gangbare weergave
Settings Chamber
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Password User
Wachtwoordinstelling User
De eerste twee cijfers knipperen. Voer de gewenste cijfers in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Wachtwoordinstelling User
De laatste twee cijfers knipperen. Voer de gewenste cijfers in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Password User
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu overschakelen naar de invoer van het Admin-wachtwoord.
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Bewaar het wachtwoord goed. Zonder een correct wachtwoord hebt u geen toegang meer tot de betreffende menufuncties.
10.2.2 Admin-wachtwoord invoeren / wijzigen
Password Admin
Pad: Gangbare weergave
Settings Chamber
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Password Admin
Wachtwoordinstelling Admin.
De eerste twee cijfers knipperen. Voer de gewenste cijfers in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Wachtwoordinstelling Admin
De laatste twee cijfers knipperen. Voer de gewenste cijfers in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Password Admin
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Bewaar het wachtwoord goed. Zonder een correct wachtwoord hebt u geen toegang meer tot de betreffende menufuncties.
Pagina 47
10.3 Gedrag tijdens en na stroomuitval en uitschakelen van het apparaat
Tijdens het uitvallen van de netvoeding worden de regelaarfuncties door de accu gevoed. Het regelaarscherm is donker en kan ongeveer 5 seconden worden geactiveerd door een willekeurige knop in te drukken. De koelmachine is buiten bedrijf. De koelfunctie van het apparaat kan door de CO2 noodkoeling (optie, hoofdstuk 19) in stand worden gehouden. Het potentiaalvrije alarmcontact (9) (hoofdstuk 14.4.7) is tijdens de stroomuitval geschakeld.
Na terugkeer van de voedingsspanning of na het inschakelen van het apparaat wordt het bedrijf met de ingestelde parameters voortgezet. Het apparaat regelt de temperatuur tot de laatst ingevoerde gewenste waarde.
Alle instellingen en gewenste waarden blijven tijdens een stroomuitval en na het uitschakelen van het apparaat bewaard.
Reset eventuele alarmen die worden veroorzaakt door een netstoring (bijvoorbeeld een bandalarm of bewakingsregelaar). Zie hoofdstuk 14.
11. Bewakingsregelaar (instelbare temperatuurbewaking)
De ultra-diepvrieskast SUFsg is uitgerust met een elektronische instelbare temperatuurbewaking. Deze wordt ‘bewakingsregelaar’ genoemd. Deze tweede, elektrisch onafhankelijke temperatuurregelaar alarmeert in geval van een storing bij een instelbare maximumtemperatuur. Deze dient ter bescherming van de lading tegen ontoelaatbare overtemperaturen. Deze toestand (alarmtoestand) wordt optisch en bij geactiveerde zoemer (hoofdstuk 14.3) ook door een akoestisch signaal weergegeven. Het alarm blijft actief tot het apparaat onder de ingestelde bewakingsregelaarwaarde afkoelt en op de regelaar wordt teruggesteld. De bewakingsregelaar is onafhankelijk van de temperatuurregelaar.
Leef de voorschriften van uw land na.
| Controleer regelmatig de instelling van de bewakingsregelaar. Stel de temperatuurwaarde van de bewakingsregelaar ongeveer 15 °C hoger in dan de gewenste temperatuurwaarde. | |
| De bewakingsregelaar wordt pas actief wanneer de gewenste waarde is bereikt. Aan deze voorwaarde moet na elke opening van de deur opnieuw worden voldaan. | |
| Instellingen van de bewakingsregelaar zijn bij accuvoeding, deuropening, stroomuitval CO2 noodkoeling (optie) zonder functie. Ze worden weer actief na het herstellen van de netvoeding enzovoort en / of het opnieuw opstarten van het apparaat met de hoofdschakelaar (4). | |
| U kunt de | bewakingsregelaarmodus instellen op ‘Limit’ of ‘Offset’. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 47)
- Limit: Grenswaarde, maximaal toegestane temperatuurwaarde absoluut
Deze instelling biedt een hoge mate van veiligheid omdat de ingestelde grenstemperatuur niet kan worden overschreden. Het is belangrijk om de bewakingsregelaarwaarde na elke nieuwe gewenste temperatuur aan te passen. Als u dat niet doet, kan de grenswaarde te hoog zijn om een effectieve bescherming te verkrijgen of, omgekeerd, kan het vermijden dat de regelaar een ingestelde gewenste waarde bereikt wanneer deze buiten de grenswaarde ligt.
- Offset: offsetwaarde, maximale overtemperatuur boven de actieve gewenste temperatuur. De daaruit volgende maximumtemperatuur verandert intern bij elke verandering van de gewenste waarde automatisch mee.
Pagina 48
Voorbeeld:
De gewenste temperatuurwaarde is -80 °C, de gewenste bewakingsregelaarwaarde is -65 °C. Mogelijke instellingen voor dit voorbeeld:
| Gewenste temperatuur | Bewakingsregelaarmodus | Bewakingsregelaarwaarde |
|---|---|---|
| -80 °C | Limit | Grenswaarde -65 °C |
| Offset | Offsetwaarde 15 °C |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 48)
11.1 Bewakingsregelaarmodus instellen
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Pad: Gangbare weergave Setpoints Safety controller Mode
Met de optie CO2 noodkoeling:
Pad: Gangbare weergave Setpoints Safety controller Mode
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Bewakingsregelaarmodus instellen
De huidige selectie knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen LIMI (Limit) en OFFS (Offset).
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Mode
Met de pijl-omlaag-toets komt u bij de instelling van de bewakingsregelaarwaarde (hoofdstuk 11.2) Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Safety controller’ (Bewakingsregelaar) en bij meerdere keren indrukken weer in de Gangbare weergave.
11.2 Bewakingsregelaarwaarde instellen
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Eerst moet de gewenste bewakingsregelaarmodus ingesteld zijn (hoofdstuk 11.1). Afhankelijk van de geselecteerde instelling van de modus verschijnt een van de twee volgende instelmenu's.
Safety controller
Pad: Gangbare weergave Setpoints
Met de optie CO2 noodkoeling:
Pad: Gangbare weergave Setpoints
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Limit of Offset
Limit of Offset
Safety controller
Instelling van de bewakingsregelaarwaarde met bewakingsregelaarmodus ‘Limit’.
De huidige waarde knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om de gewenste grenswaarde in te voeren. Instelbereik: -20 °C tot -110 °C. Bevestig de invoer met de OK-toets.
Limit Of
Pagina 49
Instelling van de bewakingsregelaarwaarde met bewakingsregelaarmodus ‘Offset’
De huidige waarde knippert. Voer met de pijltjestoetsen de gewenste offsetwaarde in.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Offset
Met de terug-toets komt u weer in het submenu ‘Safety controller’ (Bewakingsregelaar) en bij meerdere keren indrukken weer in de Gangbare weergave.
Controleer regelmatig de instelling van de bewakingsregelaarmodus en de bewakingsregelaarwaarde.
Stel de bewakingsregelaarwaarde circa 15 °C hoger in dan de gewenste temperatuur.
11.3 Melding en handelwijze bij alarm
De alarmtoestand wordt in de gangbare weergave optisch en bij geactiveerde zoemer (hoofdstuk 14.3) bovendien door een akoestisch signaal weergegeven. De oorzaak van het alarm wordt als tekstbericht weergegeven. Het pictogram ‘Algemeen alarm’ licht op. Als het akoestisch alarm is geactiveerd, klinkt de zoemer. Druk op de OK-toets om de zoemer uit te schakelen.
De alarmmelding ‘Safety controller’ (Bewakingsregelaar) en het pictogram ‘Algemeen alarm’ worden op de regelaar weergegeven totdat de OK-toets op de regelaar wordt ingedrukt en de inwendige temperatuur onder de ingestelde bewakingsregelaarwaarde afkoelt.
- Als bij het indrukken van de OK-toets de binnentemperatuur al onder de bewakingsregelaarwaarde ligt, worden de alarmmelding ‘Safety controller’ (Bewakingsregelaar) en het pictogram ‘Algemeen alarm’ samen met de zoemer teruggesteld.
- Als bij het indrukken van de OK-toets de alarmtoestand nog steeds aanwezig is, dat wil zeggen dat de inwendige temperatuur nog boven de bewakingsregelaarwaarde ligt, wordt eerst alleen de zoemer teruggesteld. De alarmmelding ‘Safety controller’ (Bewakingsregelaar) en het pictogram ‘Algemeen alarm’ verdwijnen zodra de inwendige temperatuur onder de bewakingsregelaarwaarde afkoelt.
Gangbare weergave voor het alarm van de bewakingsregelaar (Voorbeeld van waarde)
Safety controller
Let op:
Als de bewakingsregelaar wordt geactiveerd, moet u de samples overbrengen naar een ander apparaat en dan het apparaat van het stroomnet loskoppelen en de oorzaak van de storing door een vakman laten onderzoeken en verhelpen.
11.4 Controle van de werking
Controleer met regelmatige tussenpozen of de bewakingsregelaar naar behoren functioneert. Het is raadzaam deze controle ook bedrijfsmatig door het bevoegde bedieningspersoneel te laten uitvoeren, bijvoorbeeld vóór aanvang van een langer werkproces.
Pagina 50
12. Algemene regelaarinstellingen
De instellingen zijn te vinden in het menu ‘Settings’ (Instellingen). Dit is beschikbaar voor gebruikers met bevoegdheid ‘Service’ of 'Admin’. Hier kunt u de datum en tijd instellen, de taal voor de regelaarmenu's en de gewenste temperatuureenheid selecteren en de communicatiefuncties van de regelaar configureren. Het weergeven van bepaalde netwerkinstellingen is voor alle gebruikers beschikbaar in het menu ‘Chamber info’ (Apparaatinfo).
12.1 De menutaal van de regelaar selecteren
De apparaatregelaar communiceert via een overzichtelijke menubediening in duidelijke tekst in het Duits, Engels, Frans, Spaans, Italiaans.
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'. Direct na het opnieuw starten (hoofdstuk 6): 'User'.
Pad: Gangbare weergave Settings Chamber Language *
* Direct na herstart: Sprache / Language / Langue / Idioma / Lingua, afhankelijk van de taal die werd gekozen voordat het apparaat werd uitgeschakeld
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Instelling van de menutaal (voorbeeld: Engelsk).
De huidige instelling knippert. Selecteer de gewenste taal met de pijltjestoetsen.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Language
Met de pijl-omlaag-toets (2x) kunt u nu overschakelen naar de instelling van de temperatuureenheid. Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
12.2 Selectie van de temperatuureenheid
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'. Direct na het opnieuw starten (hoofdstuk 6): 'User'.
Temperature unit
Pad: Gangbare weergave Settings Chamber
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Temperatuureenheid instellen
De huidige instelling knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen graden Celsius °C en graden Fahrenheit °F.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Temperature unit
Als temperatuureenheid kunnen graden Celsius °C en graden Fahrenheit °F worden ingesteld. Als de eenheid wordt gewijzigd, worden de gewenste temperatuur en de grenzen overeenkomstig omgerekend.
C = graden Celsius F= graden Fahrenheit
0 °C = 31°F 100 °C = 212°F
Omrekening:
[Waarde in °F] = [Waarde in °C] ∗ 1,8 + 32
Pagina 51
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
12.3 Instelling van de huidige datum
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'. Direct na het opnieuw starten (hoofdstuk 6): 'User'.
Pad: Gangbare weergave
Settings Chamber Date
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Date
Date
Date
Date
Datum instellen: Dag
De huidige instelling knippert. Voer de huidige dag in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Datum instellen: Maand
De huidige instelling knippert. Voer de huidige maand in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Datum instellen: Jaar
De linker twee cijfers knipperen. Gebruik de pijltjestoetsen om de eerste twee cijfers voor het huidige jaar in te voeren.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Datum instellen: Jaar
De rechter twee cijfers knipperen. Gebruik de pijltjestoetsen om de laatste twee cijfers voor het huidige jaar in te voeren.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu overschakelen naar de instelling van de actuele tijd.
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Controleer de datum bij de eerste ingebruikname of bij lokale zomertijdomschakelingen, en pas deze indien nodig aan.
LET OP
Storing van de deurbesturing afhankelijk van het tijdstip van de dag. Langere tijd tot de deur weer open gaat.
- Stel de juiste datum in op de controller.
Pagina 52
12.4 De huidige tijd instellen
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'. Direct na het opnieuw starten (hoofdstuk 6): 'User'.
Time
Pad: Gangbare weergave Settings Chamber
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Time
Instellen van de tijd: Uren
De huidige instelling knippert. Voer het huidige uur in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Instellen van de tijd: minuten
De huidige instelling knippert. Voer de huidige minuten in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Time
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
LET OP
Storing van de deurbesturing afhankelijk van het tijdstip van de dag. Langere tijd tot de deur weer open gaat.
- Stel de juiste tijd in op de controller.
12.5 Functie ‘Language selection at restart’ (Taalkeuze bij opnieuw starten)
Wanneer de functie ‘Language selection at restart’ (Taalkeuze bij opnieuw starten) is geactiveerd, worden menutaal, datum, tijd en temperatuureenheid iedere keer bij het inschakelen van het apparaat opgevraagd en kunnen ze ook met de bevoegdheid 'User' worden gewijzigd.
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
Language selection at restart
Pad: Gangbare weergave Settings Chamber
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Functie ‘Language selection at restart’ (Taalkeuze bij opnieuw starten) De huidige instelling knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen ‘ON’ (AAN) en ‘OFF’ (UIT).
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Language sel. at restar
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter (apparaatadres) gaan.
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Pagina 53
12.6 Invoer van het apparaatadres
Deze instelling is nodig voor de computercommunicatie. De instelling van het apparaatadres in een gebruikte software en in de apparaatregelaar moet hierbij overeenkomen.
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
Chamber address
Pad: Gangbare weergave Settings Chamber
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Instelling van het apparaatadres
De huidige instelling knippert. Voer het gewenste adres in met de pijltjestoetsen. Instelbereik: 1 tot 254
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Chamber address
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter (displayhelderheid) gaan. Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
12.7 Helderheid display
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
Brightness
Pad: Gangbare weergave Settings Chamber
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Helderheid van het display aanpassen
De huidige instelling knippert. Voer de gewenste waarde in met de pijltjestoetsen. Instelbereik: 10% tot 100%
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Brightness
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter (akoestisch alarm, hoofdstuk 14.3) gaan. Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Pagina 54
13. De alarmgrens voor bandalarm en alarmvertragingen instellen
Met dit menu kunt u instellen op welke afwijking tussen werkelijke waarde en gewenste waarde een bandalarm moet worden gegenereerd. De ingestelde waarde definieert de grens van de toegestane afwijking van de gewenste waarde (over- en onderschrijding telkens met de ingevoerde waarde). Bij het bereiken van deze grens wordt een bandalarm gegenereerd.
Bovendien kunt u een wachttijd voor het bandalarm en het deur-open-alarm instellen.
Na het verlaten van de alarmgrens voor het bandalarm vindt er gedurende de wachttijd geen alarmmelding plaats:
- Na het inschakelen van het apparaat of terugkeren van de netspanning of nadat een deur is geopend als het instelpunt niet is bereikt: vast ingestelde wachttijd 15 uur
- Na het verlaten van de alarmgrens voor het bandalarm tijdens normaal bedrijf: wachttijd instelbaar (hoofdstuk 13.2)
Als de werkelijke waarde buiten de alarmgrens voor het bandalarm valt, wordt na de geselecteerde wachttijd de alarmmelding ‘Temperature range’ (Temperatuurband) in de gangbare weergave getoond (hoofdstuk 14.1). Als de alarmzoemer actief is (hoofdstuk 14.3) klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal.
Deze functie werkt pas wanneer de gewenste waarde voor het eerst is bereikt. Aan deze voorwaarde moet na elke opening van de deur opnieuw worden voldaan.
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
13.1 Wachttijd voor deur-open-alarm instellen
Pad: Gangbare weergave Settings
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Various Door alarm delay (min)
De alarmvertraging voor het deur-open-alarm instellen.
De huidige instelling knippert. Voer de gewenste tijd in waarna het deur-open-alarm moet worden geactiveerd. Invoerbereik: 1 tot 600 minuten. Fabrieksinstelling: 1 minuut.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Door alarm delay (min
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar het instellen van de wachttijd voor het bandalarm gaan. Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Various’ (Overig) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
13.2 Wachttijd voor bandalarm instellen
Het bandalarm wordt na het openen van de deur en na het inschakelen van het apparaat pas geactiveerd wanneer de gewenste waarde is bereikt.
Various Range alarm delay (min)
Pad: Gangbare weergave Settings
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Pagina 55
| Range | alarm | delay | (mi | |
| De alarmvertraging voor het bandalarm instellen. De huidige instelling knippert. Voer de gewenste tijd in waarna het bandalarm moet worden geactiveerd. Invoerbereik: 1 tot 300 minuten. Fabrieksinstelling: 60 minuten. Bevestig de invoer met de OK-toets. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 55)
Druk op de pijl-omhoog-toets om de wachttijd voor het deur-open-alarm in te stellen.
Met de pijl-omhoog-toets kunt u nu overschakelen naar het instellen van de alarmgrens voor het bandalarm.
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Various’ (Overig) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
13.3 De alarmgrens voor het bandalarm invoeren
Hier wordt een temperatuurband (alarmgrens) symmetrisch rond de gewenste waarde gedefinieerd. Als de werkelijke temperatuurwaarde binnen deze alarmgrens ligt en deze vervolgens verlaat, wordt na de ingestelde wachttijd (hoofdstuk 13.2) het bandalarm geactiveerd.
Various Temperature range
Pad: Gangbare weergave Settings
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
De temperatuurband instellen (alarmgrens)
De huidige instelling knippert. Voer de gewenste temperatuurband in met de pijltjestoetsen. Invoerbereik: 1,0 °C tot 10,0 °C.
Fabrieksinstelling: +/- 5 K.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Temperature range
Met de pijl-omhoog-toets komt u weer bij de instelling van de wachttijd voor het bandalarm.
Met de pijl-omlaag-toets kunt u overschakelen naar de instelling van de gewenste servicewaarde (hoofdstuk 19.1).
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Various’ (Overig) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Pagina 56
14. Alarmfuncties
- 14.1 Alarmmeldingen
WAARSCHUWING: bij apparaten die zonder toezicht permanent werken, raden wij bij opslag van niet-reproduceerbare monsters ten zeerste aan om monsters, indien mogelijk, te verdelen over ten minste twee apparaten.
Bij het optreden van bedrijfsstoringen, bij het afwijken van de temperatuur van de ingestelde alarmgrens voor de band, geeft de regelaar visuele en eventueel akoestische alarmmeldingen. Via een potentiaalvrij alarmcontact (9) (hoofdstuk 14.4.7) worden alarmmeldingen bijvoorbeeld aan een centraal bewakingssysteem doorgegeven.
De alarmen bij het openen van de deur en het verlaten van de alarmgrens voor het bandalarm worden na een instelbare tijd (hoofdstuk 13) afgegeven, de overige direct bij het optreden van de storingsoorzaak. Het bandalarm wordt opgeheven na het openen van de deur van het apparaat of na het inschakelen van de ultra-diepvrieskast tot aan het bereiken van de gewenste waarde, en vervolgens gedurende de geselecteerde wachttijd.
In de gangbare weergave wordt de oorzaak van het alarm als tekstbericht weergegeven. Het pictogram ‘Algemeen alarm’ knippert. Als het akoestisch alarm is geactiveerd, klinkt de zoemer.
Als er meerdere alarmen tegelijkertijd optreden, worden ze cyclisch na elkaar weergegeven.
Druk op de OK-toets om het alarm te bevestigen en de zoemer uit te schakelen. Zolang de alarmtoestand aanhoudt, blijft het pictogram 'Algemeen alarm' oplichten.
Alarmindicatie (voorbeeld van een bewakingsregelaaralarm)
Safety controller
Overzicht van alarmmeldingen:
| Toestand | Alarmmelding | Tijdstip van de alarmmelding en schakelen van het potentiaalvrije alarmcontact |
|---|---|---|
| Deur apparaat open | ‘Door open’ (Deur open) | na instelbare tijd (hoofdstuk 13). Fabrieksinstelling: 1 minuut |
| Gewenste waarde van de bewakingsregelaar overschreden | ‘Safety controller’ (Bewakingsregelaar) | onmiddellijk |
| Actuele werkelijke temperatuur buiten de alarmgrens voor bandalarm (hoofdstuk 13) | ‘Temp. range’ (Temperatuurband) | na instelbare tijd (hoofdstuk 13) Fabrieksinstelling: 60 minuten |
| Compressor draait continu, koelmachine defect. Neem contact op met Service. | ‘Continuous operation’ (Continue werking) | • 15 uur na het inschakelen of nadat een deur is geopend, als de gewenste waarde niet wordt bereikt • Na het bereiken van de gewenste waarde: 60 minuten |
| Condensatorluchtfilter reinigen / vervangen (hoofdstuk 24.2.1) | ‘Condenser temp.’ (Condensatortemperatuur) | na 10 uur |
| Compressor defect. Neem contact op met Service. | ‘Compressor defective’ (Compressor defect) | onmiddellijk |
Pagina 57
| Toestand | Alarmmelding | Tijdstip van de alarmmelding en schakelen van het potentiaalvrije alarmcontact |
|---|---|---|
| Defecte interieurtemperatuursensor. Regeling vindt plaats via een bewakingsregelaar-temperatuursensor | ‘Inner temp. sensor’ (Sensor binnentemperatuur) | onmiddellijk |
| Defecte bewakingsregelaar-temperatuursensor | ‘Safety control sensor’ (Sensor bewakingsregelaar) | onmiddellijk |
| Defect in interieurtemperatuursensor en de bewakingsregelaar-temperatuursensor. Koeling wordt continu ingeschakeld | Temperatuurweergave toont ‘- - - - ‘ of ‘<-<-<’ of ‘>->->’ Wisselende meldingen: ‘Inner temp. sensor’ (Sensor binnentemperatuur) en ‘Safety control sensor’ (Sensor bewakingsregelaar) | onmiddellijk |
| Storing van een temperatuursensor Pt100 in de condensor van de koelmachine. | ‘Condensate temp. sensor’ (Sensor condensaattemperatuur) | onmiddellijk |
| Storing van een temperatuursensor Pt100 in de cascade van de koelmachine. Koeling wordt continu ingeschakeld | ‘Cascade temp. sensor’ (Sensor cascadetemperatuur) | onmiddellijk |
| Storing temperatuursensor Pt100 voor omgevingstemperatuur of luchtingang van de koeling niveau 1 (koelmachine). | ‘Ambient temp. sensor’ (Sensor omgevingstemperatuur) | onmiddellijk |
| Accumodus (tijdens stroomuitval) | ‘Battery operation’ (Accumodus) | onmiddellijk |
| Geen accu gedetecteerd. Oorzaak: accu ontbreekt of is defect. Melding vindt plaats bij netvoeding. | ‘Battery defective’ (Accu defect) | onmiddellijk |
| Apparaat met de optie CO2 noodkoeling: de geactiveerde noodkoeling werd automatisch ingeschakeld na uitval van de netspanning, en functioneert | ‘CO2 emergency cooling’ (CO2 noodkoeling) | onmiddellijk |
| Apparaat met de optie CO2 noodkoeling: Onvoldoende CO2 toevoer van het noodkoelsysteem bij geactiveerde noodkoeling | ‘CO2 pressure’ (CO2-druk) | onmiddellijk |
| Stroomuitval (apparaat zonder accu of met melding ‘Battery defective’ (Accu defect)) | -- | onmiddellijk (uitsluitend alarmcontact) |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 57)
Druk op de OK-toets om het alarm te bevestigen.
- Bevestigen terwijl de alarmtoestand aanhoudt: Slechts de zoemer wordt uitgeschakeld. De visuele alarmmelding blijft zichtbaar totdat de alarmsituatie is verholpen. Daarna wordt deze automatisch teruggesteld.
- Bevestigen na afloop van de alarmtoestand: de zoemer en de visuele alarmmelding worden samen teruggesteld.
Pagina 58
14.2 Informatiemeldingen
Informatiemeldingen geven informatie over de instellingen en de toestand van de accu.
In de gangbare weergave wordt de toestand als tekstmelding weergegeven. Het pictogram ‘Info’ licht op.
Informatiemelding (voorbeeld: testdraaien van CO2 noodkoeling actief)
CO2 cooling test activ
Overzicht van de informatiemeldingen:
| Toestand | Informatiemelding | Tijdstip van Informatiemelding |
|---|---|---|
| Zeer lage accuspanning (1 V tot 11 V). Lage accuspanning bij accumodus. Melding vindt plaats bij accumodus en op netstroom. | ‘Low battery voltage’ (Accuspanning laag) | onmiddellijk |
| Gewenste servicewaarde actief | ‘Service setpoint active’ (Gewenste servicewaarde actief) | onmiddellijk |
| Testdraaien van CO2 noodkoeling actief | ‘CO2 cooling test active’ (Noodkoeltest actief) | onmiddellijk |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 58)
14.3 Het akoestisch alarm (zoemer) in-/uitschakelen
Audible alarm
Pad: Gangbare weergave Settings Chamber
Druk op de OK-toets, om de instelling te activeren
Instelling van de alarmzoemer.
De huidige instelling knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen ‘ON’ (AAN) en ‘OFF’ (UIT).
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Audible alarm
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Chamber’ (Apparaat) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Pagina 59
14.4 Maatregelen in geval van alarm
Reparaties mogen uitsluitend worden verricht door geschoold personeel dat door de fabrikant is geautoriseerd. Gerepareerde apparaten moeten voldoen aan de voorgeschreven kwaliteitsnorm van de fabrikant.
14.4.1 Temperatuuralarm van de bewakingsregelaar
De ingestelde temperatuurwaarde van de bewakingsregelaar is overschreden.
Het alarm wordt onmiddellijk geactiveerd.
- Alarmmelding ‘Safety controller’ (Bewakingsregelaar), pictogram Algemeen alarm
- Akoestisch alarm (zoemer)
- Potentiaalvrij alarmcontact inschakelen
Maatregelen:
- Controleer of de deur van het apparaat gedurende langere tijd geopend of niet goed gesloten is. Sluit de deur indien nodig. Als de deur open is, kan bovendien een deur-open-alarm worden afgegeven.
- Controleer de instelling van de bewakingsregelaar (hoofdstuk 11). De grenswaarde moet ongeveer 15
K boven de gewenste temperatuur liggen. Wijzig de betreffende waarde indien nodig.
- Controleer of er monsters in de ultra-diepvrieskast zijn geplaatst die warmte afgeven.
- Controleer de omgevingscondities. De ultra-diepvrieskast moet worden beschermd tegen direct zonlicht. De opstellocatie moet voldoende geventileerd zijn, zodat aan het apparaat geen warmtestuwing ontstaat.
- Wanneer u de genoemde punten als foutbron kunt uitsluiten, is er mogelijk een apparaatstoring opgetreden. Neem contact op met de Service.
14.4.2 Temperatuur-bandalarm (over- en ondertemperatuur)
Het temperatuurbandalarm wordt pas actief nadat de gewenste waarde is bereikt.
Na het verlaten van de alarmgrens voor het bandalarm treedt het alarm na de ingestelde wachttijd op (hoofdstuk 13). Fabrieksinstelling: 60 minuten.
- Alarmmelding ‘Temp. range’ (Temperatuurband), pictogram Algemeen alarm
- Akoestisch alarm (zoemer)
- Potentiaalvrij alarmcontact inschakelen
Maatregelen:
- De fabrieksinstelling is +/- 5 K.
- Aan de hand van de werkelijke temperatuur die op de regelaar wordt weergegeven, controleert u nu in welke richting (te koud of te warm) de alarmgrens voor het bandalarm is overschreden.
Ondertemperatuur (alarm Ondertemperatuur):
- Mogelijke oorzaak: plaatsen van grote hoeveelheden monsters die met vloeibare stikstof voorgekoeld zijn. Stel de alarmmelding terug met de OK-toets.
- Mogelijke oorzaak: Continu bedrijf van de koelmachine na uitval van een of meer temperatuursensoren (hoofdstuk 14.4.6). Bovendien wordt er een permanent alarm afgegeven. Neem contact op met de Service.
Pagina 60
Overtemperatuur (alarm Overtemperatuur):
- Controleer of de deur van het apparaat gedurende langere tijd geopend of niet goed gesloten is. Sluit de deur indien nodig. Bovendien wordt er een deur-open-alarm afgegeven.
- Controleer de deurafdichtingen op schade. Laat beschadigde afdichtingen vervangen.
- Controleer het afdichtingsgebied op ijsafzetting. Eventueel ontdooien.
- Controleer of er monsters in de ultra-diepvrieskast zijn geplaatst die warmte afgeven in het apparaat.
- Controleer de omgevingscondities. De ultra-diepvrieskast moet worden beschermd tegen direct zonlicht. De opstellocatie van de ultra-diepvrieskast moet voldoende geventileerd zijn om warmtestuwing aan het apparaat te vermijden.
- Wanneer u de genoemde punten als foutbron kunt uitsluiten, is er mogelijk een apparaatstoring opgetreden. Neem contact op met de Service.
Neem contact op met de Service als dezelfde alarmmelding opnieuw optreedt.
14.4.3 Deur-open-alarm
Via een deurcontactschakelaar wordt de geopende of gesloten toestand van de apparaatdeur gecontroleerd. Door de stijging van de temperatuur bij het openen van de deur wordt de koelmachine ingeschakeld.
Na het openen van de deur wordt na de gedefinieerde wachttijd een alarm afgegeven (hoofdstuk 13), fabrieksinstelling: 1 minuut.
- Alarmmelding ‘Door open’ (Deur open), pictogram Algemeen alarm
- Akoestisch alarm (zoemer)
- Potentiaalvrij alarmcontact inschakelen
Maatregelen:
- Sluit de buitenste deur.
- De zoemer kan ook bij geopende deur worden uitgeschakeld door op de OK-toets te drukken.
- De alarmmelding verdwijnt.
- Het geactiveerde alarmcontact schakelt terug.
14.4.4 Alarm stroomuitval
- Geen alarmmelding (display uit)
Het display kan met de OK-toets worden ingeschakeld, het wordt na 10 seconden weer uitgeschakeld.
- Akoestisch alarm (zoemer) onmiddellijk
- Het potentiaalvrije alarmcontact wordt geschakeld.
WAARSCHUWING: bij apparaten die zonder toezicht permanent werken, raden wij bij opslag van niet-reproduceerbare monsters ten zeerste aan om monsters, indien mogelijk, te verdelen over ten minste twee apparaten.
Pagina 61
14.4.5 Meldingen over het accumanagementsysteem
Alarmen en informatiemeldingen worden onmiddellijk afgegeven.
Accumodus
- Alarmmelding ‘Battery operation’ (Accumodus), pictogram Algemeen alarm.
- Akoestisch alarm (zoemer)
- Potentiaalvrij alarmcontact inschakelen
De melding gebeurt bij accumodus (tijdens stroomuitval) na het indrukken van de OK-toets (zie hoofdstuk 10.3)
Er is voldoende accuspanning
Accu ontbreekt, is volledig leeg (< 3 V) of defect.
- Alarmmelding ‘Battery defective’ (Accu defect), pictogram Algemeen alarm
- Akoestisch alarm (zoemer)
- Potentiaalvrij alarmcontact inschakelen
De melding vindt plaats bij netvoeding als er geen accu is gedetecteerd.
Maatregelen:
- Bij een defecte accu: vervang de accu.
- Stel de alarmmelding terug. Deze wordt niet automatisch teruggesteld.
Lage accuspanning
- Informatiemelding ‘Low battery voltage’ (Accuspanning laag), informatiepictogram De melding gebeurt bij accumodus en bij netmodus.
Accuspanning is extreem laag (< 12 V). Als deze melding langer dan 2 uur aanhoudt, kan de accu defect zijn.
Maatregelen:
- Controleer de netvoeding.
- Laadspanning in het regelaarmenu controleren (hoofdstuk 18.2)
- Bij een defecte accu: vervang de accu. Neem contact op met de Service.
- Stel de alarmmelding terug. Deze wordt niet automatisch teruggesteld.
Pagina 62
14.4.6 Meldingen bij uitval van temperatuursensoren
De alarmen vinden onmiddellijk plaats.
- Akoestisch alarm (zoemer)
- Potentiaalvrij alarmcontact inschakelen
Defect in interieur-temperatuursensor:
- Alarmmelding ‘Inner temp. sensor’ (Sensor binnentemperatuur), pictogram Algemeen alarm
- Oorzaak: defecte interieur-temperatuursensor
- De temperatuurregeling wordt gerealiseerd door de bewakingsregelaar-temperatuursensor
Defecte bewakingsregelaar-temperatuursensor
- Alarm ‘Safety control sensor’ (Sensor bewakingsregelaar), pictogram Algemeen alarm
- Oorzaak: defecte bewakingsregelaar-temperatuursensor
Defecte interieur-temperatuursensor en bewakingsregelaar-temperatuursensor:
- Temperatuurweergave toont ‘- - - - ‘ of ‘<-<-<’ of ‘>->->’
- Alarmmeldingen ’Inner temp. sensor’ (Sensor binnentemperatuur) en ‘Safety control sensor’ (Sensor bewakingsregelaar), afwisselend, pictogram Algemeen alarm
- Oorzaak: beide temperatuursensoren voor de binnenruimte en de bewakingsregelaar zijn defect
- De koelmachine wordt op continubedrijf geschakeld.
Defect van temperatuursensoren op de koelmachine:
- Alarmmelding ' Condensate temp. sensor' (Sensor condensaattemperatuur), pictogram Algemeen alarm.
Oorzaak: Temperatuursensor op condensor van koelmachine defect
- Alarm ' Cascade temp. sensor' (Sensor cascadetemperatuur), pictogram Algemeen alarm. Oorzaak: Temperatuursensor op cascade van koelmachine defect
Bij deze sensorstoring wordt de koelmachine op continubedrijf geschakeld.
- Alarm ' Ambient temp. sensor' (Sensor omgevingstemperatuur), pictogram Algemeen alarm. Oorzaak: Temperatuursensor voor omgevingstemperatuur of luchtinlaat van koeling fase 1 van de koelmachine defect
Maatregelen:
- Neem contact op met de Service.
- Als de temperatuur stijgt, dat wil zeggen als de koelmachine defect is (temperatuuralarm van de bewakingsregelaar en / of temperatuurbandalarm):
- Verplaats de monsters naar een andere ultra-diepvrieskast.
- Schakel de ultra-diepvrieskast uit.
- Reinig en desinfecteer de ultra-diepvrieskast indien nodig.
Pagina 63
de
14.4.7 Meldingen CO2 noodkoeling (apparaat met optie CO2 noodkoeling)
Alarmen en informatiemeldingen worden onmiddellijk afgegeven.
CO2 noodkoeling is geactiveerd
- Geen melding, pictogram voor functie 1 wordt weergegeven (hoofdstuk 20.3.2)
Noodkoeling actief (testdraaien)
Informatiemelding ' CO2 cooling test active' (Noodkoeltest actief), informatiesymbool Oorzaak: Noodkoeltest CO2 is geactiveerd in de regelaar (hoofdstuk 20.3.3)
Maatregelen:
Schakel, indien gewenst, het testdraaien van de CO2 noodkoeling in de regelaar uit (hoofdstuk 20.3.3)
Noodkoeling actief (stroomuitval)
- Alarmmelding ' CO2 emergency cooling' (CO2 noodkoeling), pictogram Algemeen alarm.
- Akoestisch alarm (zoemer)
- Potentiaalvrij alarmcontact inschakelen
Oorzaak: stroomuitval. de geactiveerde noodkoeling werd automatisch ingeschakeld na uitval van netspanning, en functioneert
Onvoldoende CO2-toevoer voor het noodkoelsysteem
- Alarmmelding ‘CO2 pressure’ (CO2-druk), pictogram Algemeen alarm.
- Akoestisch alarm (zoemer)
- Potentiaalvrij alarmcontact inschakelen
Oorzaak: Noodkoeling geactiveerd, CO2-aansluitdruk te laag.
Maatregelen:
- Controleer of CO2 gastoevoer open is
- Nieuwe CO2 drukgasfles aansluiten
De gasinhoud van een CO2 drukgasfles kan niet aan de hand van de flesdruk worden bepaald. Weeg de fles regelmatig om deze op tijd te vervangen.
Lage accuspanning voor CO2 noodkoeling bij accumodus
- Informatiemelding ‘Low battery voltage’ (Accuspanning laag), informatiepictogram
- De accuspanning is extreem laag (< 12 V).
Maatregelen:
- Controleer de accu-aansluitingen
- Accu opladen (laadmodus: stroom, ongeveer 160 mA)
- Bij een defecte accu: vervang de accu. Neem contact op met de Service.
- Stel de alarmmelding terug.
Pagina 64
14.5 Potentiaalvrij alarmcontact
Algemeen alarm via potentiaalvrij alarmcontact
Het apparaat is aan de achterkant voorzien van een potentiaalvrij contact (9), waarmee een extern bewakingssysteem kan worden aangesloten om de alarmmeldingen die de ultra-diepvrieskast SUFsg genereert, extern te bewaken en op te slaan.
Het potentiaalvrije contact wordt zonder vertraging geschakeld zodra het pictogram 'Algemeen alarm' oplicht. Het potentiaalvrije contact wordt ingeschakeld bij alle alarmgebeurtenissen en bij stroomuitval. Als de externe alarmbewaking via de contacten COM en NO wordt aangesloten, kan de alarmbewaking beveiligd worden tegen leidingbreuk. Dit betekent dat de verbinding tussen de ultra-diepvrieskast en de externe alarmbewaking wordt verbroken, en een alarm wordt gegenereerd. Een stroomstoring veroorzaakt in dit geval ook een alarm.
COM COM = pen 1
NC = pen 2
| COM-NC | COM-NO | |
| Apparaat aan, geen alarm | 0 | 1 |
| Apparaat aan, alarm actief | 1 | 0 |
| Apparaat uit | 1 | 0 |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 64)
NO = pen 3
Afbeelding 18: Bedradingsschema van de potentiaalvrije contacten en pintoekenning van de bus (9)
Wanneer het apparaat is ingeschakeld en er geen alarm is, is het contact COM met maakcontact gesloten. Wanneer het apparaat is uitgeschakeld of wanneer er een alarm is gegenereerd, is het contact COM met verbreekcontact gesloten.
Het potentiaalvrije alarmcontact wordt ingeschakeld door contact COM met verbreekcontact te sluiten.
Maximale belasting van de schakelcontacten: 24 V AC/DC - 2,0 A
GEVAAR
Gevaar voor elektrische schok bij te hoge schakelbelasting.
Dodelijke elektrische schok. Beschadiging van de schakelcontacten en de aansluitbus.
∅ Zorg ervoor dat de maximale schakelbelasting van 24 V AC/DC, 2,0 A NIET wordt overschreden.
∅ Sluit GEEN apparaten met een hogere schakelbelasting aan.
De alarmmelding blijft op het regelaarscherm tijdens de alarmering via het potentiaalvrije alarmcontact aanwezig. Zodra de reden voor het alarm is weggenomen of de alarmmelding is teruggesteld, wordt het alarm teruggesteld via het potentiaalvrije contact, samen met de alarmmelding op het regelaarscherm. Bij een stroomuitval blijft de alarmering via het potentiaalvrije contact gedurende de hele stroomuitval actief. Wanneer de stroom wordt hersteld, wordt het contact automatisch gesloten.
Aansluiting op een extern bewakingssysteem
Voor een leidingbreukbestendige alarmbewaking die het alarm activeert als de verbinding tussen de ultradiepvrieskast en de externe alarmbewaking wordt verbroken, moet u de externe alarmbewaking aansluiten op de ultra-diepvrieskast via de aansluitbus (9) voor potentiaalvrij alarmcontact.
Pagina 65
15. Ethernet-netwerkinstellingen
De instellingen in dit submenu dienen voor de computercommunicatie van apparaten met Ethernetinterface.
15.1 Weergave van netwerkinstellingen
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
In het submenu 'Ethernet' kunt u de volgende informatie na elkaar of afzonderlijk laten weergeven
- MAC-adres apparaat
- IP-adres
- Subnetmasker
- Standaard gateway
- DNS-serveradres
- Naam DNS-apparaat
15.1.1 MAC-adres weergeven
Chamber info
Pad: Gangbare weergave
MAC address
Ethernet MAC address
MAC-adres weergeven (voorbeeldafbeelding)
U kunt navigeren met de Terugtoets en de OK-toets.
00:00:00:00:00:00
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter (IP-adres) gaan.
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu 'Ethernet' en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
15.1.2 IP-adres weergeven
Chamber info
Pad: Gangbare weergave
IP address
Ethernet IP address
Weergave van het IP-adres (voorbeeldafbeelding)
U kunt navigeren met de Terugtoets en de OK-toets.
0.0.0.0
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter (subnetmasker) gaan.
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu 'Ethernet' en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
Pagina 66
15.1.3 Subnetmasker weergeven
Chamber info
Pad: Gangbare weergave
Subnet mask
Ethernet Subnet mask
Weergave van het subnetmasker (voorbeeldafbeelding)
U kunt navigeren met de Terugtoets en de OK-toets.
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter (standaard gateway) gaan.
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Ethernet’ en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
15.1.4 Standaard gateway weergeven
Chamber info
Pad: Gangbare weergave gateway
Standard gateway
Ethernet Standard
Weergave van de standaard gateway (voorbeeldafbeelding) U kunt navigeren met de Terugtoets en de OK-toets.
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter (DNS-serveradres) gaan.
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Ethernet’ en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
15.1.5 DNS-serveradres weergeven
Chamber info
Pad: Gangbare weergave server address
DNS server address
Ethernet DNS
Weergave van het DNSserveradres (voorbeeldafbeelding) U kunt navigeren met de Terugtoets en de OK-toets.
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter (DNS-apparaatnaam) gaan.
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Ethernet’ en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.