Liebherr SUFsg 3501, tekst van de handleiding
Pagina's 67–88 van 112 · inhoud en begin van de handleiding · pdf
← pagina's 45–66verder op pagina 89 →
Pagina 67
15.1.6 Naam DNS-apparaat weergeven
Chamber info Ethernet DNS
Pad: Gangbare weergave chamber name
Naam DNS-apparaat weergeven (voorbeeldafbeelding)
U kunt navigeren met de Terugtoets en de OK-toets.
DNS chamber name 000cd80a281
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu 'Ethernet' en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
15.2 Netwerkinstellingen wijzigen
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
In het submenu 'Ethernet' kunt u de volgende instellingen na elkaar of afzonderlijk oproepen.
- Selectie van het type IP-adrestoekenning (automatisch of handmatig), hoofdstuk 15.2.1 Als automatische IP-adrestoekenning is geselecteerd:
- Selectie van het type DNS-serveradrestoekenning (automatisch of handmatig), hoofdstuk 15.2.2. Als handmatige IP-adrestoekenning is geselecteerd:
- Invoer van het IP-adres, hoofdstuk 15.2.3
- Invoer van het subnetmasker, hoofdstuk 15.2.4
- Invoer van de standaard gateway, hoofdstuk 15.2.5
Als handmatige IP-adrestoekenning of handmatige DNS-serveradrestoekenning is geselecteerd:
- Invoer van het DNS-serveradres, hoofdstuk 15.2.6
15.2.1 Type toekenning van het IP-adres kiezen (automatisch / handmatig)
Pad: Gangbare weergave Settings Ethernet IP address assignment
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Selectie van het type IP-adrestoekenning.
De huidige instelling knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen AUTO (automatisch) en MANU (handmatig).
Bevestig de instelling met de OK-toets.
IP address assignmen
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu naar de volgende parameter gaan.
- Als handmatige IP-adrestoekenning is geselecteerd: IP-adres toekennen (hoofdstuk 15.2.3)
- Als automatische IP-adrestoekenning is geselecteerd: Selectie van het DNS-serveradrestype (hoofdstuk 15.2.2)
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Ethernet’ en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
Pagina 68
15.2.2 Type toekenning van het DNS-serveradres selecteren (automatisch / handmatig)
Deze functie is alleen beschikbaar als de automatische toekenning van het IP-adres is geselecteerd (hoofdstuk 15.2.1)
DNS server
Pad: Gangbare weergave Settings Ethernet
Druk op de OK-toets, om de instelling te activeren.
Selectie van het type toekenning van het DNS-serveradres. De huidige instelling knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen AUTO (automatisch) en MANU (handmatig).
Bevestig de instelling met de OK-toets.
DNS server
Als de handmatige toekenning van het DNS-serveradres is geselecteerd, kunt u nu met de pijl-omlaagtoets naar de toekenning van het DNS-serveradres overschakelen (hoofdstuk 15.2.6) Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Ethernet’ en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
15.2.3 IP-adres invoeren
Deze functie is alleen beschikbaar als handmatige toekenning van het IP-adres is geselecteerd (hoofdstuk 15.2.1)
Pad: Gangbare weergave Settings Ethernet IP address
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Voer het IP-adres in vier stappen in, overeenkomstig de gedeeltes van de getallenreeks: (1).(2).(3).(4) Principe van de invoer:
- Met de OK-toets selecteert u in de bovenste regel het gewenste deel van het IP-adres 1/4, 2/4, 3/4, 4/4.
- Met de pijltjestoetsen kent u de waarde van het geselecteerde deel van het IP-adres toe
IP
IP
IP
address
address
address
Toekenning IP-adres (voorbeeldwaarden).
Het eerste deel van het IP-adres wordt weergegeven. Voer de gewenste waarde in met de pijltjestoetsen.
Met de OK-toets bevestigt u de invoer en gaat u naar het tweede deel van het IP-adres.
Toekenning IP-adres (voorbeeldwaarden).
Het tweede deel van het IP-adres wordt weergegeven. Voer de gewenste waarde in met de pijltjestoetsen.
Met deOK-toets bevestigt u de invoer en gaat u naar het derde deel van het IP-adres.
Toekenning IP-adres (voorbeeldwaarden).
Het derde deel van het IP-adres wordt weergegeven. Voer de gewenste waarde in met de pijltjestoetsen.
Met de OK-toets bevestigt u de invoer en gaat u naar het laatste deel van het IP-adres.
Pagina 69
Toekenning IP-adres (voorbeeldwaarden).
Het vierde deel van het IP-adres wordt weergegeven. Voer de gewenste waarde in met de pijltjestoetsen.
Bevestig de instelling met de OK-toets.
IP address
Met de pijl-omlaag-toets kunt u nu overschakelen naar de invoer van het subnetmasker.
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Ethernet’ en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
15.2.4 Subnetmasker invoeren
Deze functie is alleen beschikbaar als handmatige toekenning van het IP-adres is geselecteerd (hoofdstuk 15.2.1)
Pad: gangbare weergave Settings Ethernet Subnet mask
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
De invoer van het subnetmasker gebeurt in vier stappen, overeenkomstig de gedeeltes van de getallenreeks: (1).(2).(3).(4)
Principe van de invoer:
- Met de OK-toets selecteert u in de bovenste regel het gewenste deel van het subnetmasker 1/4, 2/4, 3/4, 4/4.
- Met de pijltjestoetsen kent u de waarde van het geselecteerde deel van het subnetmasker toe Zie voor details de vergelijkbare procedure in hoofdstuk 15.2.3 'IP-adres invoeren'.
Met de pijl-omlaag-toets kunt u vervolgens overschakelen naar de invoer van de standaard gateway. Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Ethernet’ en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
15.2.5 Standaard gateway invoeren
Deze functie is alleen beschikbaar als handmatige toekenning van het IP-adres is geselecteerd (hoofdstuk 15.2.1)
Pad: Gangbare weergave Settings Ethernet Standard gateway
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
De invoer van de standaard gateway gebeurt in vier stappen, overeenkomstig de gedeeltes van de getallenreeks: (1).(2).(3).(4)
Principe van de invoer:
- Met de OK-toets selecteert u in de bovenste regel het gewenste deel van de standaard gateway 1/4, 2/4, 3/4, 4/4.
- Met de pijltjestoetsen wijst u de waarde van het geselecteerde deel aan de standaard gateway toe Zie voor details de vergelijkbare procedure in hoofdstuk 15.2.3 'IP-adres invoeren'.
Met de pijl-omlaag-toets kunt u vervolgens overschakelen naar de invoer van het DNS-serveradres. Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ‘Ethernet’ en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
Pagina 70
15.2.6 DNS-serveradres invoeren
Deze functie is beschikbaar als de handmatige toekenning van het IP-adres (hoofdstuk 15.2.1) of de handmatige toekenning van het DNS-serveradres (hoofdstuk 15.2.2) is geselecteerd.
Bij handmatige toekenning van het IP-adres:
Ethernet
| Pad: Gangbare weergave Settings | DNS server address |
|---|---|
| Bij handmatige DNS-serveradrestoekenning: | |
| Pad: Gangbare weergave Settings | DNS server address |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 70)
Ethernet
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Het DNS-serveradres wordt in vier stappen ingevoerd, overeenkomstig de gedeeltes van de getallenreeks:
- (1) .(2).(3).(4)
Principe van de invoer:
- Met de OK-toets selecteert u in de bovenste regel het gewenste deel van het DNS-serveradres 1/4, 2/4, 3/4, 4/4.
- Met de pijltjestoetsen kent u de waarde van het geselecteerde deel van het DNS-serveradres toe Zie voor details de vergelijkbare procedure in hoofdstuk 15.2.3 'IP-adres invoeren'.
Met de Terug-toets komt u vervolgens weer in het submenu 'Ethernet' en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
16. Gegevensschrijver
Een interne gegevensschrijver slaat apparaatgegevens en gebeurtenissen op in drie datasets. Met de exportfunctie 'Export recorder data' (Schrijvergegevens exporteren) (hoofdstuk 17.3) kunnen de drie datasets via de USB-interface in drie bestanden op een USB-stick worden opgeslagen. Ze worden in de gekozen taal als spreadsheet met de extensie '.csv' uitgevoerd en kunnen met het gewenste programma verder worden verwerkt. De gegevens zijn niet gecodeerd. Het volledige datageheugen wordt altijd uitgelezen.
16.1 Opgeslagen gegevens
Alle gegevens worden in tabelvorm uitgevoerd. De titels van de waarden 'number' (nummer), 'date' (datum) en 'time' (tijd) worden afgegeven in de gekozen taal, de overige in het Engels.
- Apparaatgegevens voor de gebruiker 'DL1'
Tabel met de werkelijke en gewenste temperatuurwaarde met datum en tijd volgens het ingestelde geheugeninterval (hoofdstuk 16.3). De temperatuurwaarden worden altijd in °C afgegeven.
- Apparaatgegevens voor de fabrieksservice 'DL2'
Deze gegevens zijn bestemd voor de service van de fabrikant. Het geheugeninterval is vast ingesteld (1 minuut). De temperatuurwaarden worden altijd in °C afgegeven.
- Lijst met gebeurtenissen
Meldingen over de regelaar en het datageheugen, evenals alarmen met datum en tijd:
- Firmware-update verricht
- 'New config (USB)' (Nieuwe config (USB)): Nieuwe configuratie via USB geïnstalleerd
Pagina 71
- 'Data recorder cleared' (Gegevensschrijver leeggemaakt'): datalogger + gebeurtenissenlijst gewist via setup-programma
- Andere gebeurtenismeldingen op basis van de aanwezige alarmen
Onder 'On/Off' (aan/uit) wordt het tijdstip voor het in- en uitschakelen van de alarmsituatie aangegeven.
16.2 Opslagcapaciteit
De geheugencapaciteit van de gegevensschrijver wordt bepaald aan de hand van het aantal invoeren.
- DL1 = 110.000 invoeren (komt overeen met 76 dagen bij een geheugeninterval van 1 minuut), instelling zie hoofdstuk 16.3)
- DL2 = 27.000 invoeren (komt overeen met 18 dagen bij een vast ingesteld geheugeninterval van 1 minuut)
- Lijst met gebeurtenissen: 200 gebeurtenissen
Hoe korter het ingestelde geheugeninterval, des te korter de opgeslagen meetpunten dus bij elkaar liggen. En des te nauwkeuriger maar ook korter is de gedocumenteerde periode.
Zodra de geheugencapaciteit van de gegevensschrijver is bereikt, begint het overschrijven van de oudste waarden.
16.3 Geheugeninterval voor 'DL1'-schrijvergegevens instellen
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
Data recorder Storage interval
Pad: Gangbare weergave Settings
Druk op de OK-toets, om de instelling te activeren.
Functie ' Storage interval' (Geheugeninterval).
De huidige instelling knippert. Voer het gewenste geheugeninterval in met de pijltjestoetsen. Instelbereik: 1 minuut (fabrieksinstelling) tot 60 minuten.
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Storage interval
Met de Terug-toets komt u weer in het submenu ' Data recorder' (Gegevensschrijver) en bij meerdere keren indrukken weer in de gangbare weergave.
16.4 Gegevensschrijver wissen
Bij het importeren van een configuratie via USB-stick (hoofdstuk 17.2) en bij het laden van een nieuwe firmwareversie door de Service wordt het gehele datageheugen gewist.
De servicedienst van de fabrikant kan de configuratie ook installeren met behulp van een configuratieprogramma zonder dat de gegevens worden gewist.
Onafhankelijk daarvan kan de service de gegevens via een configuratieprogramma wissen. Door het laden van een nieuwe configuratie via een USB-stick wordt de gegevensschrijver gewist.
LET OP
Gevaar voor informatieverlies bij het laden van een nieuwe configuratie via een USB-stick.
Gegevensverlies.
- Sla de gegevens op voordat u een nieuwe configuratie via USB-stick installeert.
Pagina 72
17. USB-menu: gegevensoverdracht via de USB-interface
In de afsluit- en regelaarbehuizing bevindt zich een USB-interface voor de gegevensoverdracht via USBstick (de tweede micro-USB-interface wordt alleen in de fabriek van de fabrikant gebruikt).
De regelaar biedt importfuncties en drie exportfuncties via de USB-interface:
Importfunctie (hoofdstuk 17.2):
- Configuratiegegevens in het bestand 'KONF380.set'
Exportfuncties (hoofdstuk 17.3):
- Configuratiegegevens in het bestand 'KONF380.set'
- Schrijvergegevens - DL1 (apparaatgegevens voor de gebruiker): 'DL1_[MAC-adres apparaat].csv' - DL2 (apparaatgegevens voor de service van de fabrikant): 'DL2_[MAC-adres apparaat].csv' - Lijst met gebeurtenissen: 'EvList_[MAC-adres van apparaat].csv'
Zie hoofdstuk 16.1 voor de inhoud van de bestanden.
- Servicegegevens
Op de USB-stick wordt de map 'Service' aangemaakt die naar de servicedienst van de fabrikant kan worden gestuurd. Hij ontvangt naast de configuratie- en schrijvergegevens ook andere relevante service-informatie.
17.1 De USB-stick aansluiten
Sluit de USB-stick aan op de interface in de regelaarbehuizing.
Op de USB-interface mogen uitsluitend USB-sticks worden aangesloten.
De USB-stick moet zijn geformatteerd met FAT32 en moet minimaal 8 GB opslagruimte hebben.
Na het insteken van de USB-stick wordt de basisfunctie 'Import configuration' (Configuratie importeren) weergegeven.
Zolang de USB-stick is aangesloten, zijn alleen de functies voor gegevensoverdracht beschikbaar. Andere regelaarfuncties zijn pas weer beschikbaar nadat de USB-stick is verwijderd.
17.2 Importfunctie
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
Functie 'Import configuration' (Configuratie importeren).
Druk op de OK-toets om configuratiegegevens van de USB-stick te importeren.
Import configuration
Druk op de pijl-omlaag-toets om naar de functie ‘Export configuration’ (Configuratie exporteren) te gaan.
Pagina 73
17.3 Exportfuncties
Vereiste gebruiker
Functie ‘Export configuration’ (Configuratie exporteren).
Druk op de OK-toets om de configuratiegegevens in de regelaar naar de USB-stick te kopiëren.
om naar de volgende functie te gaan.
Functie 'Export recorder data' (Schrijvergegevens exporteren).
| bevoegdheid: iedere | |
| Export | configuration |
| Druk op de | pijl-omlaag-toets |
| Export | recorder data |
| Druk op de | pijl-omlaag-toets om |
| Export | service data |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 73)
Druk op de OK-toets om de in de regelaar aanwezige schrijvergegevens naar de USB-stick te schrijven.
naar de volgende functie te gaan.
Functie 'Export service data' (Servicegegevens exporteren). Druk op de OK-toets om de apparaatgegevens van de regelaar naar de USB-stick te schrijven.
17.4 Bezig met gegevensoverdracht
Een lopend pijlsymbool geeft de voortgang van de gegevensoverdracht aan. Voorbeeld:
Gegevensoverdracht bezig.
Export service data
Let op! Gevaar voor gegevensverlies! Koppel de USB-stick tijdens de gegevensoverdracht niet los van het apparaat!
Nadat de overdracht is voltooid, keert de regelaar terug naar de basisfunctie 'Import configuration' (Configuratie importeren).
Pagina 74
17.5 Fout bij de gegevensoverdracht
Bij een storing verschijnt de melding ERR (Error, fout).
Leesfout (voorbeeld).
Import configuration
17.6 De USB-stick verwijderen
Het is niet mogelijk / nodig om de USB-stick af te melden.
Zorg ervoor dat er geen gegevensoverdracht plaatsvindt (hoofdstuk 17.4).
Na het verwijderen van de USB-stick bevindt de regelaar zich weer in hetzelfde menu als voorheen bij het aansluiten van de USB-stick.
18. Accumanagement
In dit regelaarmenu kunt u controleren of de accu aanwezig is en hoe goed hij is opgeladen. Dit zijn pure weergavefuncties zonder instelmogelijkheden.
18.1 Accumodus
Dit menu geeft aan of het apparaat in de accumodus werkt.
- Weergave 'YES' (JA): Accumodus (tijdens stroomuitval)
- Weergave 'NO' (NEE): Accu wordt opgeladen, stroomvoorziening aanwezig Wanneer er geen accu werd herkend (accu ontbreekt, is volledig leeg (< 3 V) of defect, wordt bij netvoeding de alarmmelding ' Battery defective' (Accu defect) weergegeven (hoofdstuk 14.4.5). Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Pad: Gangbare weergave Chamber info Battery management Battery operation
Weergave ‘Battery operation’ (Accumodus).
'YES' (JA) = accumodus, geen netvoeding 'NO' (NEE) = accu wordt opgeladen, externe voeding
Battery operation
Met de pijl-omlaag-toets komt u in de functie 'Charging voltage' (Laadspanning).
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu 'Battery management' (Accumanagement) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Pagina 75
18.2 Laadspanning
In dit menu wordt de actuele accuspanning weergegeven. De correcte spanning is > 12 V. Zodra de grenswaarde 12 V van de accuspanning wordt onderschreden, wordt bij netvoeding en bij accumodus de informatiemelding 'Low battery voltage' (Accuspanning laag) weergegeven (hoofdstuk 14.4.5).
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Chamber info Battery management
Pad: Gangbare weergave Charging voltage
Toont de huidige laadspanning van de accu.
Charging voltage
Met de pijl-omhoog-toets gaat u naar de functie 'Accumodus'.
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu 'Battery management' (Accumanagement) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
19. De gewenste servicewaarde instellen en activeren
Er kan een gewenste servicewaarde worden ingevoerd en geactiveerd om een lagere gewenste waarde in te stellen voor test- of afsteldoeleinden. Deze instelling valt buiten het regelbereik en is niet bedoeld voor gangbaar bedrijf.
Wanneer de gewenste servicewaarde wordt geactiveerd, blijft de standaard gewenste temperatuur onveranderd. Pas na het deactiveren van de gewenste servicewaarde regelt het apparaat weer op de standaard gewenste temperatuur.
19.1 Gewenste servicewaarde instellen
Vereiste bevoegdheid: 'Admin'.
Various Service setpoint
Pad: Gangbare weergave Settings
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Instelling van de gewenste servicewaarde.
De huidige instelling knippert. Voer de gewenste waarde in met de pijltjestoetsen. Invoerbereik: +20 °C tot -99 °C. Fabrieksinstelling is -99 °C.
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Service setpoint
Met de pijl-omhoog-toets gaat u naar de instelling van de alarmgrens voor bandalarm (hoofdstuk 13.3). Met de pijl-omlaag-toets komt u in de functie ‘Manual Offset’ (Handmatige offset instellen, cap. 7.1). Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Various’ (Overig) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Pagina 76
19.2 De gewenste servicewaarde inschakelen
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Functions on/off
Pad: Gangbare weergave Setpoints
Met de optie CO2 noodkoeling:
Pad: Gangbare weergave Setpoints Functions on/off
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Service setpoint on/off
Service setpoint on/off
Instelling van functie 3 'Service setpoint on/off' (Gewenste servicewaarde aan/uit).
De huidige instelling knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen '1' (gewenste servicewaarde actief) en '0' (gewenste servicewaarde niet actief).
Bevestig de instelling met de OK-toets.
Service setpoint on/o
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ' Functions on/off' (Functies aan/uit) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Gangbare weergave met de melding ‘Service setpoint active’ (Gewenste servicewaarde actief).
Service setpoint acti
De gewenste servicewaarde blijft actief totdat functie 3 'Service setpoint on/off' (Gewenste servicewaarde aan/uit) weer wordt gedeactiveerd.
Pagina 77
20. CO2 noodkoeling (optie voor SUFsg 5001, SUFsg 7001)
(J)
(J)
Afbeelding 19: Achteraanzicht SUFsg met CO2 noodkoelsysteem
CO2 noodkoeling
Aansluitbus voor elektrische aansluiting van de CO2 noodkoeling CO2 afvoer voor aansluiting van een afvoerslang
Kabel voor aansluitbus (11) voor elektrische aansluiting van de CO2 noodkoeling Drukcompensatieopening (van binnenuit zichtbaar). Hier komt ook CO2 naar buiten Gasslang voor aansluiting van de CO2 drukgasfles
Pagina 78
Aansturing en temperatuurmeting van de apparaatregelaar worden gebruikt voor CO2 noodkoeling, daarom kan deze optie niet worden gebruikt voor ultra-diepvrieskasten van andere fabrikanten.
De optie CO2 noodkoeling is alleen bestemd voor gebruik met deze ultra-diepvrieskast SUFsg.
Het CO2 noodkoelsysteem maakt extra koeling mogelijk als de binnentemperatuur zodanig is gestegen dat de ingestelde noodkoeltemperatuur is bereikt. Dit kan nodig zijn wanneer er warmte-inbreng in het apparaat is opgetreden, bij onderbreking van de stroomvoorziening of bij een defect van de koelinstallatie.
Werkingsprincipe: CO2 wordt uit de gasfles in vloeibare vorm genomen en indien nodig naar de ultradiepvrieskast SUFsg geleid. Daar wordt de spanning van het gas verlaagd, en daarbij koelt het intensief af, waarbij een mengsel van CO2 gas en CO2 sneeuw ontstaat. De CO2 sneeuw levert door overgang naar de gasvormige toestand de benodigde koelcapaciteit.
De noodkoelinstallatie is in de veiligheidsketen van het apparaat geïntegreerd. Bij stroomuitval wordt de CO2 noodkoeling gevoed door accu's, bij gangbaar bedrijf via een schakeladapter 24 V DC. De accu is geschikt voor een maximale onderbreking van de externe stroomvoorziening van 72 uur, zodat bij voldoende CO2 drukgasflessen de werking van de CO2 noodkoeling gedurende een weekend is gegarandeerd.
Het CO2 noodkoelsysteem is instelbaar van -40 °C tot -70 °C. Om met een bepaalde CO2-voorraad een zo lang mogelijke noodkoeltijd te garanderen, selecteert u een zo hoog mogelijke noodkoeltemperatuur.
De optie CO2 noodkoelsysteem is als uitbreidingsset beschikbaar. Neem contact op met de verkoopvertegenwoordiger van de fabrikant.
De bovenste doorvoer links 28 mm (6a) aan de achterkant van de ultra-diepvrieskast dient voor de aansluiting van de CO2 noodkoeling.
- 20.1 CO2 drukgasfles aansluiten, en flessen vervangen
Het CO2 noodkoelsysteem werkt uitsluitend met vloeibare CO2. Gebruik CO2 stijgbuisflessen met een veiligheidsklepaansluiting W 21,8 x 1¼ inch. De omgevingstemperatuur voor de stijgbuisfles mag niet hoger zijn dan 35 °C. De stijgbuis binnenin maakt een bijna volledige vloeistofafname mogelijk. CO2 stijgbuisflessen moeten bij het afnemen rechtop staan.
Aanwijzing voor de opstellocatie van de gasfles:
De koelcapaciteit neemt af wanneer de temperatuur van de vloeibare CO2 toeneemt. Plaats de gasfles niet in de afvoerluchtstroom van de ultra-diepvrieskast.
De meegeleverde gasslang (15) is al op het CO2 noodkoelsysteem aangesloten, deze verbinding mag door de gebruiker niet worden losgemaakt. Neem contact op met de servicedienst van de fabrikant als de slang moet worden vervangen. Sluit voor het aansluiten van de drukgasfles het vrije uiteinde van de gasslang aan op de gasfles (SW 30). Draai vervolgens de klep van de gasfles erop.
Sluit vóór het vervangen van de gasfles eerst de klep van de lege gasfles. Laat de CO2 noodkoeling testdraaien om de druk in het CO2 noodkoelsysteem te verlagen. Schroef dan pas de gasslang los.
Controleer de slangaansluiting na het aansluiten van de gasfles met een zeepoplossing op gasdichtheid. De slangaansluiting moet dicht zijn.
Pagina 79
De klep van de gasfles moet altijd gesloten zijn voordat de gasslang wordt vastgeschroefd of losgeschroefd.
WAARSCHUWING
Gevaar voor verwonding door het vrijkomen van de opgeslagen drukenergie bij het openen van de flesafsluiter van een niet aangesloten fles.
Verwondingen.
- Sluit de klep van de gasfles voordat u de gasslang aansluit of verwijdert.
Beveilig de drukgasfles tegen omvallen en andere mechanische beschadigingen.
WAARSCHUWING
Letselrisico door het vrijkomen van de opgeslagen drukenergie bij het afbreken van de veiligheidsklep.
Verwondingen.
- Beveilig de gasfles tegen omvallen (kettingen).
- Vervoer de gasflessen met een flessenkar.
Algemene aanwijzingen voor het veilig omgaan met CO2-drukgasflessen:
- Gasflesklep langzaam openen om drukstoten te vermijden
- Borg de gasflessen tijdens de opslag en het gebruik tegen omvallen (kettingen).
- Gasflessen met flessenkar vervoeren. Niet dragen, rollen of gooien.
- Sluit de klep ook bij schijnbaar lege flessen; schroef de afsluitkap er bij niet-gebruik op. Gasflessen met gesloten klep terugbrengen
- Gasflessen niet met geweld openen en bij schade markeren
- Bescherming van de gasflessen tegen brandgevaar, bijvoorbeeld niet samen met brandbare vloeistoffen opslaan
- Leef de toepasselijke voorschriften voor de omgang met CO2 drukgasflessen na.
Instructies voor de exploitant over eisen en bepalingen bij gebruik van drukgasflessen in het laboratorium (zonder aanspraak op volledigheid):
Het opslaan van drukgasflessen (voorraad, geen aansluiting voor het legen, bewaren voor later gebruik of voor afgifte aan anderen) in het laboratorium zonder opslagkast is over het algemeen niet toegestaan. De eisen aan brandveilige drukgasflessenkasten zijn beschreven in DIN EN 14470-2:2006.
Het gereedhouden (op de voor het legen bestemde plaatsen aangesloten of voor de snelle aansluiting gereedgehouden reservereservoirs) en het gebruik (gereedhouden, activiteiten, legen) van drukgasflessen mag ook buiten opslagkasten of -ruimten plaatsvinden, mits aan de veiligheidsvoorschriften wordt voldaan. Dit geldt voor het gebruik van het CO2 noodkoelsysteem.
- Alle relevante lokale en nationale voorschriften moeten worden nageleefd, in het bijzonder de voorschriften voor het gereedhouden / legen van drukgasflessen.
- In het laboratorium moeten meer dan zes flessen in flessenkasten, speciale opstelruimtes of buiten opgesteld worden. Na afloop van het werk (uitschakelen van de ultra-diepvrieskast) moeten de flessen op een veilige plaats worden opgeslagen.
- Er moeten dichtheidscontroles plaatsvinden
- Brandblussers moeten bereikbaar zijn om de flessen te beschermen tegen verwarming in geval van brand
Pagina 80
- In de buurt van de drukgasflessen moet een gebruiksaanwijzing voor de aansluiting en vervanging van de drukgasflessen zijn aangebracht, die in begrijpelijke vorm alle veiligheidstechnische noodzakelijke informatie bevat.
- Laboratoria waarin gasflessen staan, moeten met het waarschuwingsteken W019 'Waarschuwing voor gasflessen' zijn gemarkeerd.
- In zones met verhoogd brandgevaar moeten gasflessen zo mogelijk buiten de ruimten veilig worden opgesteld en stevig met leidingwerk worden verbonden.
CO2 in hoge concentratie (> 4 volume-%) is gevaarlijk voor de gezondheid. Het is kleurloos en vrijwel reukloos en daardoor praktisch niet waarneembaar. Eventueel vrijkomende CO2 is zwaarder dan lucht en verzamelt zich op de vloer of eventueel in dieper gelegen delen van het gebouw. Gevaar voor verstikking en vergiftiging. Gevaren door ongecontroleerd vrijkomen van gas moeten doeltreffend worden vermeden.
GEVAAR
Gevaar voor verstikking en vergiftiging door CO2 in hoge concentratie (> 4 volume-%).
Overlijden door verstikking.
- Gebruik de CO2 noodkoeling uitsluitend in goed geventileerde ruimten.
- Zorg voor ventilatietechnische maatregelen. Installeer een geschikte afvoer op de CO2 afvoer van het noodkoelsysteem.
- Leef de relevante voorschriften voor de omgang met CO2 na.
- Schakel de CO2-toevoer uit wanneer u het apparaat buiten gebruik stelt.
Bij de opstelling van CO2-drukgasflessen moet op de bouwtechnische omstandigheden worden gelet.
- De opstellocatie moet zich in een goed geventileerde ruimte bevinden (natuurlijke ventilatie). Voor ruimten ≤ 12 m² grondoppervlak met rondom vaste wanden zonder opening gelden andere voorschriften (maximaal twee 14 literflessen CO2, signaal 'Verstikkingsgevaar' en verbod om de deur na het betreden te sluiten).
- De opstellocatie moet technisch be- en ontlucht worden (mechanische ventilatie) en zijn beveiligd met een CO2-waarschuwingsinstallatie (gaswaarschuwingsinrichting)
Wij adviseren met klem het CO2 gehalte in de omgevingslucht van de CO2 noodkoeling continu te bewaken. Er moet permanent worden gegarandeerd dat de maximaal toelaatbare werkplekgrenswaarde (MACwaarde) van 0,5 volume-% CO2 niet wordt overschreden.
20.2 Werking van het CO2 noodkoelsysteem
Bij gebruik van het CO2 noodkoelsysteem wordt de binnenkant van de ultra-diepvrieskast gevuld met CO2. CO2 in hoge concentratie (> 4 volume-%) is gevaarlijk voor de gezondheid. Het is kleurloos en vrijwel reukloos en daardoor praktisch niet waarneembaar. Gebruik het CO2 noodkoelsysteem uitsluitend in goed geventileerde ruimten. Vrijgekomen CO2 gas moet veilig worden afgevoerd door een goede ruimteventilatie of een passende aansluiting op een afzuigsysteem en een afvoer aan de CO2 afvoer (12) aan de achterkant van het CO2 noodkoelsysteem. De maximaal toegestane werkplekgrenswaarde MAC-waarde voor CO2 moet worden aangehouden (AGW/MAK voor Duitsland 5000 ml/m³ (ppm) = 0,5 volume-%). Wij adviseren om een CO2-waarschuwingssysteem te installeren.
Zelfs bij zorgvuldige en vakkundige omgang met CO2 of installaties die met CO2 worden gebruikt, blijft een bepaald restrisico bestaan, dat onder bepaalde omstandigheden tot levensgevaarlijke situaties kan leiden. Daarom adviseren wij met klem een continue bewaking van het CO2 gehalte in de omgevingslucht van de CO2 noodkoeling te handhaven. Er moet permanent worden gegarandeerd dat de maximaal toelaatbare werkplekgrenswaarde (MAC-waarde) van 0,5 volume-% CO2 niet wordt overschreden.
Pagina 81
GEVAAR
Gevaar voor verstikking en vergiftiging door CO2 in hoge concentratie (> 4 volume-%). Overlijden door verstikking.
- Gebruik de CO2 noodkoeling uitsluitend in goed geventileerde ruimten.
- Zorg voor ventilatietechnische maatregelen. Installeer een geschikte afvoer op de CO2 afvoer van het noodkoelsysteem.
- Leef de relevante voorschriften voor de omgang met CO2 na.
- Schakel de CO2-toevoer uit wanneer u het apparaat buiten gebruik stelt.
We raden u aan een afvoerslang aan te sluiten op de CO2 afvoer (12) en deze naar buiten of naar een uitlaatsysteem te leiden. Omdat het CO2 noodkoelsysteem ook bij stroomuitval actief wordt, wordt voor het uitlaatsysteem een ononderbroken stroomvoorziening aanbevolen.
De apparaatregelaar meet en controleert de temperatuurwaarde in de gebruiksruimte. Afhankelijk van het stijgen of dalen van de temperatuur regelt de regelaar tijdens normaal bedrijf en bij stroomuitval de CO2 noodkoeling. Zodra de vooraf ingestelde noodkoeltemperatuur in de gebruiksruimte van het apparaat wordt bereikt, wordt de magneetklep van de noodkoelinrichting geopend en wordt vloeibare CO2 uit drukgasflessen met tussenpozen in de gebruiksruimte van het apparaat ingespoten. Daarbij wordt de vloeibare CO2 tot omgevingsdruk ontspannen en verdampt in de gebruiksruimte van het apparaat. Hierdoor wordt de gebruiksruimte tot de vooraf ingestelde noodkoeltemperatuur afgekoeld.
Wanneer de deur van het toestel wordt geopend, wordt de CO2-inspuiting onderbroken. Dit vermijdt eventuele koude verbrandingen / bevriezingen door instromend CO2 gas bij handelingen in de binnenruimte van het apparaat.
Na het inschakelen van het apparaat is de CO 2 noodkoeling zolang gedeactiveerd, tot de richtwaarde van de CO2 -noodkoeling voor het eerst wordt bereikt.
De temperatuurverdeling kan bij CO2 noodkoeling afwijken van de technische gegevens bij -80 °C (hoofdstuk 26.3).
De CO2 noodkoeling activeren
- Open de flesafsluiter van de CO2 fles
- Instelling van de noodkoeltemperatuur op de regelaar (hoofdstuk 20.3.1)
- Activering van de CO2 noodkoeling op de regelaar (hoofdstuk 20.3.2)
- Eventueel Testdraaien (hoofdstuk 20.3.3).
20.3 Instellingen op de apparaatregelaar
De regelaar moet de aanwezigheid van CO2 noodkoeling activeren om de volgende regelaarmenu's (hoofdstuk 20.3.1 tot 20.3.3) weer te geven. Bij apparaten met CO2 noodkoeling is dit standaard het geval, de instelling kan in het volgende menu worden gecontroleerd:
Opt. CO2 emerg.
Various
Pad: Gangbare weergave Settings cooling
In dit menu moet de instelling '1' zijn geactiveerd.
Menu “Opt. CO2 emerg. Cooling”.
Instelling '1' (noodkoeling aanwezig) Instelling '0' (geen noodkoeling aanwezig)
Opt. CO2 emerg. cooli
Pagina 82
Wanneer er een CO2 noodkoeling aanwezig is, maar de instelling op '0' staat (geen noodkoeling aanwezig), bijvoorbeeld als gevolg van een nalevering, druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Instelmenu “Opt. CO2 emerg. Cooling”.
De huidige instelling knippert. Zet de instelling met de pijltoetsen op '1' (noodkoeling aanwezig).
Bevestig de invoer met de OK-toets.
Opt. CO2 emerg. cooli
Let op: Bij apparaten zonder CO2 noodkoeling moet de instelling op '0' staan (geen noodkoeling aanwezig).
De volgende regelaarmenu's zijn uitsluitend beschikbaar op apparaten met de geactiveerde optie CO2 noodkoeling.
20.3.1 Instelling van de gewenste temperatuur van de CO 2 noodkoeling
We adviseren om de richtwaarde van de CO2 noodkoeling ten minste 10 °C boven de ingestelde temperatuur van het apparaat en boven de alarmgrens van de band in te stellen.
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Pad: Gangbare weergave Setpoints
CO2 emergency cooling
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Instelling van de gewenste temperatuur van de CO2 noodkoeling De huidige instelling knippert. Voer de gewenste gewenste waarde in met behulp van de pijltjestoetsen. Instelbereik: -30 °C tot -70 °C Bevestig de invoer met de OK-toets.
CO2 emergency cooling
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Setpoints’ (Gewenste waarden) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de Gangbare weergave.
20.3.2 De CO2 noodkoeling activeren
Vereiste bevoegdheid: 'User'.
Pad: Gangbare weergave Setpoints Functions on/off CO2 emer.cooling on/off
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Instelling van functie 1 ' CO2 emer.cooling on/off' (CO2 noodkoeling aan/uit).
De huidige instelling knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen '1' (noodkoeling ingeschakeld) en '0' (noodkoeling uitgeschakeld)
Bevestig de invoer met de OK-toets.
CO2 emer.cooling on/o
Pagina 83
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu 'Functies aan/uit' en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Gangbare weergave met geactiveerde noodkoeling
Temperature
Gangbare weergave bij lopende noodkoeling met de alarmmelding ' CO2 emergency cooling' (CO2 noodkoeling)
CO2 emergency coolin
Het flesklep van de CO2 fles moet zijn geopend zijn, anders vindt er een drukalarm plaats.
CO2 noodkoeling deactiveren
- 1. Schakel de CO 2 noodkoeling op de regelaar uit.
- 2. Sluit de klep van de CO2 fles.
20.3.3 De CO2 noodkoeling testdraaien
U kunt de CO2 noodkoeling op elk moment testen, ook als de CO2 noodkoeling niet is geactiveerd. Het testdraaien van de CO2 noodkoeling loopt na de start totdat deze weer wordt gedeactiveerd. Vereiste bevoegdheid: 'User'.
CO2 cooling test on/off
Pad: Gangbare weergave Setpoints Functions on/off
Druk op de OK-toets om de instelling te activeren.
Instelling van functie 2 ' CO2 cooling test on/off' (Noodkoeltest aan/uit). De huidige instelling knippert. Gebruik de pijltjestoetsen om te kiezen tussen '1' (testdraaien ingeschakeld) en '0' (testdraaien uitgeschakeld). Bevestig de invoer met de OK-toets.
CO2 cooling test on/o
Met de Terug-toets keert u terug naar het submenu ‘Functions on/off’ (Functies aan/uit) en bij meerdere keren indrukken weer terug naar de gangbare weergave.
Gangbare weergave bij testdraaien van de noodkoeling met de melding ' CO2 cooling test active' (Noodkoeltest actief).
CO2 cooling test acti
Schakel de instelling na het uitvoeren van een test weer uit.
Pagina 84
21. Gegevensverzameling en documentatie
21.1 Ethernet-interface
Standaard is het apparaat voorzien van een ethernet-interface (8) voor computercommunicatie, zodat een verbinding tot stand kan worden gebracht voor gegevensuitwisseling en gegevensregistratie. Het MACadres van het apparaat is in het regelaarmenu 'Ethernet' (hoofdstuk 15.1.1) aangegeven.
21.2 Analoge uitgang voor temperatuur (optie)
De ultra-diepvrieskast is voorzien van een analoge uitgang van 4-20 mA voor temperatuur. Deze uitgang kan worden gebruikt voor het doorsturen naar externe gegevensverzamelingssystemen of registratieapparatuur.
De aansluiting is als volgt gerealiseerd als DIN-bus (10) in het aansluitpaneel aan de achterkant van het apparaat.
ANALOGE UITGANG 4-20 mA DC PEN 1: temperatuur –
PEN 2: temperatuur +
Temperatuurbereik: +40 °C tot -100 °C Er wordt een geschikte stekker meegeleverd.
Afbeelding 20: Penaansluitingen van de bus (10) voor optie analoge uitgang
Pagina 85
22. Apparaatinventaris: racksystemen en cryoboxen (optie)
22.1 Racksystemen met en zonder cryoboxen
Om de binnenkant van de compartimenten van het apparaat optimaal te benutten, zijn de volgende geraamtes verkrijgbaar:
- Kastgeraamtes met zijdelingse toegang, gemaakt van aluminium of rvs
- Schuiflade-geraamtes, gemaakt van rvs
Kastgeraamtes met zijdelingse toegang Schuiflade-geraamtes met soepel opgeslagen en cryoboxen inschuifelementen (schuifladen) en cryoboxen Afbeelding 21: Racksystemen en cryoboxen
Alle geraamtes zijn leverbaar in twee verschillende hoogtes:
- 280 mm hoogte voor vijf standaard cryoboxen (50 mm / 2 inch) boven elkaar
- 330 mm hoogte voor zes standaard cryoboxen (50 mm / 2 inch) boven elkaar De geraamtes zijn leeg leverbaar, maar ook met standaard cryoboxen
De kartonnen cryoboxen hebben een rasterinzetstuk voor de vakverdeling 9 x 9 (81 monsters).
| Hoogte geraamte | Aantal vakken voor cryoboxen (H x D) | Cryoboxen | Kastgeraamte rvs Artikelnummer | Kastgeraamte aluminium Artikelnummer | Schuiflade-geraamte rvs Artikelnummer |
| 280 mm | 5 x 4 | zonder boxen | 7790 027 | 7790 003 | 7790 031 |
| 280 mm | 5 x 4 | met boxen | 7790 029 | 7790 015 | 7790 033 |
| 330 mm | 6 x 4 | zonder boxen | 7790 028 | 7790 014 | 7790 032 |
| 330 mm | 6 x 4 | met boxen | 7790 030 | 7790 025 | 7790 036 |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 85)
22.2 Cryoboxen
Set van 36 kartonnen standaard cryoboxen, wit, hoogte 50 mm / 2 inch met vakverdeling 9 x 9
Afbeelding 22: Cryoboxen met rasterinzetstuk, artikelnummer 7790 038
Pagina 86
23. Reiniging en ontsmetting
Reinig het apparaat na elk gebruik om eventuele corrosieschade door bestanddelen van de lading te vermijden.
Laat het apparaat na alle reinigings- en ontsmettingsmaatregelen volledig drogen voordat u het opnieuw in gebruik neemt
Tijdens bedrijf: neem uitsluitend oppervlakken aan de buitenkant af met een vochtige doek en laat deze daarna goed drogen.
GEVAAR
Gevaar door een elektrische schok door binnendringend water in het apparaat. Dodelijke elektrische schok.
∅ Giet GEEN water of reinigingsmiddel op de binnen- en buitenkant van het apparaat. ∅ Steek GEEN reinigingshulpmiddelen (doeken of borstels) in de sleuven of openingen van het apparaat.
∅ Schakel het apparaat uit met de hoofdschakelaar en trek de stekker uit het stopcontact voordat u het apparaat reinigt.
∅ Droog het apparaat volledig voordat u het weer in gebruik neemt.
23.1 Schoonmaken
Maak het apparaat vóór het reinigen spanningsloos. Trek de stekker uit het stopcontact.
Houd de binnenkant van het apparaat altijd schoon. Verwijder alle resten van de lading grondig.
Neem de oppervlakken af met een vochtige doek. Daarnaast kunnen de volgende reinigingsmiddelen worden gebruikt (aanbrengen met een doek):
| Buitenoppervlakken, afsluit- en regelaarbehuizing met regelaarbedieningspaneel, binnenruimte (rvs) planken, deurafdichtingen | In de handel verkrijgbare reinigingsmiddelen zonder zuur en zonder halogeniden. Alcoholoplossingen. Neutraal reinigingsmiddel. |
| Aansluitpaneel aan de achterkant van het apparaat | In de handel verkrijgbare reinigingsmiddelen zonder zuur en zonder halogeniden. Neutraal reinigingsmiddel. |
| Gegalvaniseerde scharnierende delen, achterwand behuizing | In de handel verkrijgbare reinigingsmiddelen zonder zuur en zonder halogeniden Gebruik GEEN neutraal reinigingsmiddel op verzinkte oppervlakken. |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 86)
Er mogen geen reinigingsmiddelen worden gebruikt die door de reactie met onderdelen van het apparaat of de lading gevaar kunnen veroorzaken. Neem bij twijfel over de geschiktheid van reinigingsmiddelen contact op met de servicedienst van de fabrikant.
De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele corrosieschade na gebruik van ongeschikte reinigingsmiddelen.
De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele corrosieschade als gevolg van het niet reinigen van het apparaat.
Pagina 87
LET OP
Corrosiegevaar door gebruik van verkeerde reinigingsmiddelen.
Beschadiging van het apparaat.
∅ Gebruik GEEN zuur- of halogenidehoudende reinigingsmiddelen.
∅ Gebruik GEEN neutraal reinigingsmiddel op verzinkte scharnierende delen of op de achterwand van de behuizing.
Reinig de oppervlakken snel om ze te beschermen.
Verwijder het reinigingsmiddel na het reinigen volledig van de oppervlakken met een vochtige doek. Laat het apparaat drogen.
Zeepsop kan chloriden bevatten en mag daarom NIET worden gebruikt voor de reiniging.
GEVAAR
Gevaar voor opsluiting van personen in het apparaat.
Overlijden door verstikking of bevriezing.
- Controleer voordat u de deur sluit of er zich niemand in het apparaat bevindt.
- Trek de stekker uit het stopcontact voordat u de binnenruimte (bijvoorbeeld voor reinigingsdoeleinden) betreedt.
Let bij elke reiniging op een persoonlijke bescherming die geschikt is voor het gevaar.
Laat de deur van het apparaat na het reinigen open staan, of verwijder de stoppen van de doorvoeren.
Neutrale reinigingsmiddelen kunnen bij contact met de huid en inslikken schade aan de gezondheid veroorzaken. Leef de gebruiks- en veiligheidsinstructies op de fles van het neutrale reinigingsmiddel na.
Aanbevolen veiligheidsmaatregelen: draag een goed sluitende veiligheidsbril om uw ogen te beschermen. Draag handschoenen. Geschikte veiligheidshandschoenen bij volledig contact: Butyl- of nitrilrubber, penetratietijd: >480 minuten
VOORZICHTIG
Gevaar op brandwonden bij contact met de huid of bij het inslikken van neutrale reinigingsmiddelen.
Schade aan huid en ogen. Milieuschade.
∅ Laat het neutrale reinigingsmiddel NIET in de riolering komen.
- Verhinder het inslikken van neutraal reinigingsmiddel. Houd het neutraal reinigingsmiddel uit de buurt van voedingsmiddelen en dranken.
- Draag veiligheidshandschoenen en een veiligheidsbril.
- Vermijd huidcontact met het neutraal reinigingsmiddel.
Deurkrukken, deurscharnieren en het sluit-contradeel moeten minstens eenmaal per jaar worden gereinigd.
Pagina 88
23.2 Ontsmetting / chemische desinfectie
De exploitant moet ervoor zorgen dat de apparatuur correct wordt ontsmet wanneer deze is verontreinigd met gevaarlijke stoffen.
Maak het apparaat spanningsloos voordat u chemisch ontsmet. Trek de stekker uit het stopcontact.
| Er mogen onderdelen contact op | geen ontsmettingsmiddelen worden gebruikt die gevaarlijk kunnen zijn als ze reageren met van de apparatuur of de lading. Neem bij twijfel over de geschiktheid van ontsmettingsmiddelen met de servicedienst van de fabrikant. |
| De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele corrosieschade na gebruik van ongeschikte ontsmettingsmiddelen. | |
| Zorg er bij elke ontsmetting / desinfectie voor dat de persoonlijke bescherming, afgestemd op het gevaar, gewaarborgd is. | |
| De desinfectiesproeivloeistof kan bij oogcontact oogletsel door chemische brandwonden veroorzaken. Leef de op de flessen vermelde gebruiksaanwijzingen en veiligheidsaanwijzingen voor de desinfectiesproeivloeistof na. | |
| Aanbevolen veiligheidsmaatregelen: draag een goed sluitende veiligheidsbril om uw ogen te beschermen. | |
| VOORZICHTIG | |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 88)
Gevaar voor brandwonden bij oogcontact met de desinfectiesproeivloeistof.
Oogletsel. Milieuschade.
∅ Laat de desinfectiesproeivloeistof NIET in de riolering komen.
- Draag een veiligheidsbril.
Laat het apparaat na gebruik van de desinfectiesproeivloeistof drogen en voldoende ventileren.
De volgende desinfectiemiddelen kunnen ook worden gebruikt (aanbrengen met een doek):
| Binnenruimte (rvs) | In de handel verkrijgbare oppervlakteontsmettingsmiddelen zonder zuur en zonder halogenide (niet druppend). Alcoholoplossingen. |
| Compartimentdeuren | In de handel verkrijgbare oppervlakteontsmettingsmiddelen zonder zuur en zonder halogenide (niet druppend). Alcoholoplossingen maximaal 10% |
| Buitendeurafdichting (PVC) en binnendeurafdichting (silicone) | Alcoholoplossingen |
Bekijk deze tabel in de handleiding (pdf, pagina 88)
Verwijder het desinfectiemiddel na het reinigen volledig van de oppervlakken met een steriele vochtige doek.
Het apparaat moet vóór ingebruikname altijd goed drogen en volledig ontluchten, omdat tijdens de desinfectie explosieve gassen kunnen ontstaan.